Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een…

Raad van State, 1 september 2026

Zaakgegevens

Op 1 september 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
1 september 2026
Datum publicatie
28 augustus 2026
Zaaknummer
BRS.26.001906
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5087
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.001906

ECLI:NL:RVS:2026:5087

Datum uitspraak: 1 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de betrokkene],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 maart 2026 in zaak nr. NL25.22971 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Appellant werpt in grief 1 de vraag op of de geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister heeft gemaakt met toepassing van WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Omdat de rechtbank, gelet op het oordeel van de Afdeling onder 3 over de overige grieven, terecht heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas van appellant ongeloofwaardig is en dat de minister daarbij alle relevante aspecten heeft betrokken, leidt de toepassing van WI 2024/6 in het geval van appellant niet tot een onrechtmatig besluit.

2.        Uit het voorgaande volgt dat de beantwoording van de door appellant opgeworpen rechtsvraag over de uitleg van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3.        De grieven van appellant leiden niet tot een gegrond hoger beroep. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift, naast grief 1, geen vragen op over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

4.        Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026

1125-846