Vreemdelingenrecht

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een…

Zaakgegevens

Op 11 september 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11 september 2026
Datum publicatie
9 september 2026
Zaaknummer
BRS.25.002585
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5302
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Uitspraak

BRS.25.002585

ECLI:NL:RVS:2026:5302

Datum uitspraak: 11 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 24 november 2025 in zaak nr. NL25.27742 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 24 november 2025 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 28 juli 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Het hoger beroep

1.        Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn asielaanvraag van 3 februari 2024. Dat heeft de minister bij het besluit van 28 juli 2026 alsnog gedaan. Wat appellant aanvoert, levert geen belang op voor het beoordelen van zijn hoger beroep.

2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling ziet aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.

Het besluit van 28 juli 2026

3.        Het besluit van 28 juli 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

4.        De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 28 juli 2026 krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle. De Afdeling vindt het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat daartegen hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.        verwijst het beroep tegen het besluit van 28 juli 2026, V-294.562.7389, naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle;

III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.

w.g. Stoové

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pronk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026

1028