Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 21 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Raad van State, 22 september 2026

Zaakgegevens

Op 22 september 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 september 2026
Datum publicatie
18 september 2026
Zaaknummer
BRS.26.004014
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5579
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 21 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 31 juli 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:28636
  2. Raad van State · 22 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:5579

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.26.004014

ECLI:NL:RVS:2026:5579

Datum uitspraak: 22 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 31 juli 2026 in zaak nr. NL26.40899 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 31 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G.S.S. de Kok, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat het arrest van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, niet zo ver strekt dat de bewaringsrechter in de bewaringsprocedure vooruit moet lopen op een oordeel over de rechtmatigheid van het besluit om de overdrachtstermijn te verlengen. Ook in hoger beroep heeft appellant namelijk niet gesteld dat de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn gestelde belangen in het geding zijn.

1.1.        Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243,

punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

1.2.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Kolk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026

1137-347