Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 9 september 2024 en 8 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant…

Raad van State, 6 februari 2026

Zaakgegevens

Op 6 februari 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
6 februari 2026
Datum publicatie
4 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002236
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:597
E-mail

Samenvatting

Bij besluiten van 9 september 2024 en 8 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd.

Uitspraak

BRS.25.002236

ECLI:NL:RVS:2026:597

Datum uitspraak: 6 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 29 oktober 2025 in zaak nr. 24/16027 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 9 september 2024 en 8 oktober 2024 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Dorgelo, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 10 tot en met 13 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kraak

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026

1020