Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem…

Raad van State, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.002914
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5971
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.002914

ECLI:NL:RVS:2026:5971

Datum uitspraak: 12 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 juni 2026 in zaak nr. NL24.27568 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N. Birrou, advocaat in Roermond, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte geen eigen beoordeling heeft gemaakt, maar alleen heeft getoetst of de minister zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens de gebeurtenissen in 2015 bij terugkeer naar Nigeria een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Naar het oordeel van de Afdeling zou een indringendere toets echter niet tot een ander oordeel leiden. De minister heeft zich namelijk deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen van appellant over de gebeurtenissen in 2015 verband houden met de algemene situatie in Nigeria en dat hij sindsdien nooit meer iets in verband met die gebeurtenissen heeft vernomen. De rechtbank heeft daar terecht op gewezen.

1.1.        Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de indringendheid van de rechterlijke toetsing in asielzaken niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat al daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

2.        Wat appellant verder aanvoert leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

3.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Gerritsjans-van Essen, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Gerritsjans-van Essen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026

1078