Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 29 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Zaakgegevens

Op 11 februari 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11 februari 2026
Datum publicatie
9 februari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000453
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:709
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 29 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 19 januari 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:1004
  2. Raad van State · 11 februari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:709

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.26.000453

ECLI:NL:RVS:2026:709

Datum uitspraak: 11 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 januari 2026 in zaak nr. NL25.64098 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 19 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 3.3 en 3.4 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Jiawan

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026

1017