Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 16 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Zaakgegevens

Op 11 februari 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11 februari 2026
Datum publicatie
9 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002330
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:712
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 16 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 8 december 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:23620
  2. Raad van State · 20 januari 2026

    ECLI:NL:RVS:2026:274

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Raad van State · 11 februari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:712

    Meerdere afhandelingswijzen

Uitspraak

BRS.25.002330

ECLI:NL:RVS:2026:712

Datum uitspraak: 11 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 december 2025 in zaak nr. NL25.56811 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 8 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        In de derde grief betoogt appellant terecht dat de omstandigheid dat de termijn van ophouding met zestien minuten is overschreden een gebrek oplevert en dat dit tot een proceskostenveroordeling had moeten leiden. Dit gebrek heeft betrekking op de staandehouding, overbrenging en ophouding van appellant. De rechtbank had om die reden aanleiding moeten zien om de minister te veroordelen in de proceskosten. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 3 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1498, onder 2.2, en 15 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1544, onder 1. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet gedaan.

De grief slaagt.

2.        Wat appellant voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten voor het geconstateerde gebrek in de ophouding. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 december 2025 in zaak nr. NL25.56811, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten vanwege het geconstateerde gebrek in de ophouding;

III.        bevestigt die uitspraak voor het overige;

IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026

1179-644