Vreemdelingenrecht

Bij brief van 14 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in kennis gesteld van haar…

Raad van State, 16 februari 2026

Zaakgegevens

Op 16 februari 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16 februari 2026
Datum publicatie
11 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002536
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:789
E-mail

Samenvatting

Bij brief van 14 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in kennis gesteld van haar besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen (het verlengingsbesluit).

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 11 december 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:24024
  2. Raad van State · 16 februari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:789

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.25.002536

ECLI:NL:RVS:2026:789

Datum uitspraak: 16 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats

's-Hertogenbosch, van 11 december 2025 in zaak nr. NL24.49760 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij brief van 14 november 2024 heeft de minister appellant in kennis gesteld van haar besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen (het verlengingsbesluit).

Bij uitspraak van 11 december 2025 heeft de rechtbank het door appellant tegen het verlengingsbesluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2196, overwogen dat het verlengingsbesluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, waardoor de beroepstermijn niet is aangevangen en het beroep op grond van artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, ontvankelijk is. Dit is in hoger beroep niet bestreden. Wat appellant in zijn eerste grief aanvoert tegen het oordeel van de rechtbank dat de termijn voor het instellen van beroep tegen een verlengingsbesluit één week bedraagt en niet vier weken, is daarom niet van belang voor de ontvankelijkheid van het beroep en behoeft in deze zaak geen bespreking.

1.1.        Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift voor het overige geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Stoové

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dallinga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026

18-1102