Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 30 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen om de Europese Unie…

Zaakgegevens

Op 23 februari 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23 februari 2026
Datum publicatie
19 februari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000127
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:960
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 30 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen om de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 18 november 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:27594
  2. Raad van State · 23 februari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:960

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

BRS.26.000127

ECLI:NL:RVS:2026:960

Datum uitspraak: 23 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 december 2025 in zaak nr. 25/16340 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen om de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

Bij uitspraak van 3 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Alam-Khan, advocaat in Delft, hoger beroep ingesteld.

Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.

Overwegingen

1.        De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 31 december 2025. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.

2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pronk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026

1028