Vreemdelingenrecht

Uit de stellingen van de vreemdeling blijkt niet dat hij op voormelde datum zal worden uitgezet in de zin van…

Zaakgegevens

Op 4 mei 2011 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 mei 2011
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
201103376/2/V1
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2011:BQ4614
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Uit de stellingen van de vreemdeling blijkt niet dat hij op voormelde datum zal worden uitgezet in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. In die stellingen is dus geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb gelegen. Ook de omstandigheid dat het besluit van 1 september 2010 voor uitvoering vatbaar is, levert zodanig belang niet op.

Uitspraak

201103376/2/V1.

Datum uitspraak: 4 mei 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 18 februari 2011 in zaak nr. 10/34124 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 18 februari 2011, verzonden op 21 februari 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling de voorzitter op 4 mei 2011 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

2.1. Aan het verzoek heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat hem op het asielzoekerscentrum waar hij verblijft een ticket is uitgereikt om op 9 mei 2011 naar Irak terug te keren. Hij heeft gesteld dat hij hiertoe verplicht is en de voorzitter verzocht te bepalen de voorgenomen verwijdering hangende het hoger beroep te verbieden.

2.1.1. Uit de stellingen van de vreemdeling blijkt niet dat hij op voormelde datum zal worden uitgezet in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. In die stellingen is dus geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb gelegen. Ook de omstandigheid dat het besluit van 1 september 2010 voor uitvoering vatbaar is, levert zodanig belang niet op.

2.1.2. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Schuurman

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011

282.

Verzonden: 4 mei 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser