Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 3 oktober 2017 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht…

Zaakgegevens

Op 26 oktober 2018 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
26 oktober 2018
Datum publicatie
29 oktober 2018
Zaaknummer
201807925/2/V3
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2018:3510
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 3 oktober 2017 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft.

Uitspraak

201807925/2/V3.

Datum uitspraak: 26 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 31 augustus 2018 in zaak nr. 18/1148 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2017 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft.

Bij besluit van 22 januari 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij, zolang de Afdeling nog niet op het hoger beroep heeft beslist, wordt geacht rechtmatig verblijf in Nederland te hebben zodat hij een beroep kan doen op de publieke middelen en zijn verblijfslocatie niet op de hem aangezegde datum, 29 oktober 2018, behoeft te ontruimen.

2.    Het treffen van een voorziening als verzocht heeft verstrekkende gevolgen, nu de vreemdeling ten gevolge van de besluitvorming van de staatssecretaris op dit moment niet rechtmatig in Nederland verblijft en geen recht bestaat op de gewenste uitkering. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken is niet gebleken dat voor de vreemdeling geen andere mogelijkheid bestaat om al dan niet tijdelijk in het verblijf te voorzien dan door het verkrijgen van rechtmatig verblijf in afwachting van het hoger beroep.

3.    Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de vreemdeling om gedurende het hoger beroep rechtmatig verblijf te verkrijgen minder zwaar weegt dan het belang van de staatssecretaris in dezen. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorziening, als verzocht, te treffen.

4.    Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Hent    w.g. Bechinka

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2018

371.