Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 6 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een…

Zaakgegevens

Op 3 april 2019 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
3 april 2019
Datum publicatie
4 april 2019
Zaaknummer
201902071/3/V3
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:1076
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 6 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Uitspraak

201902071/3/V3.

Datum uitspraak: 3 april 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 6 maart 2019 in zaak nr. NL18.12774 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 6 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.    De vreemdeling heeft eerder verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet mag worden overgedragen gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep. Bij uitspraak van 26 maart 2019 in zaak nr. 201902071/2/V3 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat geen grond bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de staatssecretaris de aanvraag in behandeling had moeten nemen.

2.    Het door de vreemdeling thans ingediende verzoekschrift bevat geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven tot een ander dan het reeds in de uitspraak van 26 maart 2019 neergelegde oordeel. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.

w.g. Drop    w.g. Annen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2019

765-873.