Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 4 november 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling…
ECLI:NL:RVS:2021:2299 · Raad van State · 16 september 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rvs-2021-2299
Zaakgegevens
Op 16 september 2021 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 september 2021
- Datum publicatie
- 13 oktober 2021
- Zaaknummer
- 202105484/2/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2021:2299
Samenvatting
Bij besluit van 4 november 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 15 mei 2013 ingetrokken, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Uitspraak
202105484/2/V1.
Datum uitspraak: 16 september 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2021 in zaak nr. 21/3894 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2020 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 15 mei 2013 ingetrokken, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij besluit van 17 juni 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.J.E.P. Meerts, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris is in de gelegenheid gesteld een schriftelijke uiteenzetting te geven.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. De vreemdeling voert aan dat hij basisrechten verliest zoals toegang tot werkgelegenheid, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg.
2. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft vandaag eveneens uitspraak gedaan op het verzoek van de vreemdeling om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist, ECLI:NL:RVS:2021:2054. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak aanleiding gezien om de intrekking van het Nederlanderschap te schorsen totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep. Dat betekent dat de vreemdeling zijn Nederlanderschap nog heeft en niet kan worden uitgezet. Onder deze omstandigheden moet het verzoek om de voorlopige voorziening te treffen dat de vreemdeling niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist worden afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G. Kamminga, griffier.
w.g. Verheij
voorzieningenrechter
w.g. Kamminga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2021
876