Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 10 maart 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…

Raad van State, 24 december 2021

Zaakgegevens

Op 24 december 2021 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24 december 2021
Datum publicatie
24 december 2021
Zaaknummer
202104158/3/V3
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2021:2981
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 10 maart 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202104158/3/V3.

Datum uitspraak: 24 december 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van [de vreemdeling] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 juni 2021 in zaak nr. 20/3136 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 16 april 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en

bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar

neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 11 oktober 2021 heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2020 opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de vreemdeling beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep van de staatssecretaris en het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 11 oktober 2021 zijn gekoppeld in die zin dat beide behandeld worden door de Afdeling. De Afdeling begrijpt het verzoek om een voorlopige voorziening daarom zo dat de vreemdeling heeft verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep van de staatssecretaris en zijn beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.

2.       Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).

3.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het hoger beroep van de staatssecretaris en het beroep van de vreemdeling is beslist;

II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot

vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling

van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van

€ 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Baldinger

voorzieningenrechter

w.g. Van Laar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2021

872