Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 19 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…

Raad van State, 4 juli 2023

Zaakgegevens

Op 4 juli 2023 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 juli 2023
Datum publicatie
4 juli 2023
Zaaknummer
202303160/1/V2 en 202303160/2/V2
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:2555
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 19 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

Uitspraak

202303160/1/V2 en 202303160/2/V2.

Datum uitspraak: 4 juli 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 april 2023 in zaak nr. NL21.13103 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 20 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Mohasselzadeh, advocaat te Voorburg, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Voor zover de vreemdeling in de vierde grief een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat wat de vreemdeling eerst in beroep naar voren heeft gebracht over zijn relatie, niet voldoende concreet is om te kunnen toetsen of zijn uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. De vreemdeling kan een daartoe strekkende aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning indienen.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.

w.g. De Poorter

voorzieningenrechter

w.g. Van Kesteren

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2023

897-987