Vreemdelingenrecht
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een…
ECLI:NL:RVS:2024:3611 · Raad van State · 5 september 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rvs-2024-3611
Zaakgegevens
Op 5 september 2024 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 september 2024
- Datum publicatie
- 5 september 2024
- Zaaknummer
- 202405046/2/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:3611
Samenvatting
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Uitspraak
202405046/2/V1.
Datum uitspraak: 5 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 juli 2024 in zaak nr. NL24.25454 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
en
de minister van asiel en migratie
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 15 juli 2024 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van de vreemdeling vernietigd, de minister opgedragen om, samengevat, uiterlijk binnen twintig weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag van de vreemdeling te nemen en bepaald dat de minister aan de vreemdeling een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor elke dag, waarmee hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Partijen zijn het erover eens dat de minister niet binnen de wettelijke termijn een besluit heeft genomen op de aanvraag. De minister heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard dat hij de aanvraag van de vreemdeling in mei 2025 gaat behandelen en dat hij daar niet eerder een besluit op zal nemen onder invloed van een eventueel opgelegde dwangsom. Wat dan in deze voorzieningenprocedure overblijft, is dat de minister meent dat de rechtbank niet vanwege de in haar ogen nodige ‘sterke prikkel’ zo’n hoge dwangsom had mogen opleggen. Dat betekent dat uitsluitend een financieel belang speelt, te weten de hoogte van de dwangsom en het maximum daarvan. Financiële belangen scheppen in de regel geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. In dit geval heeft de minister geen specifieke omstandigheden aangevoerd die maken dat er wel een spoedeisend belang is.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.W. de Lange, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. De Lange
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2024
999