Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 25 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van…

Zaakgegevens

Op 9 april 2025 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
9 april 2025
Datum publicatie
9 april 2025
Zaaknummer
202404753/3/V3
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:1546
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 25 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 11 juli 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:11134
  2. Raad van State · 9 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:1546

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Raad van State · 16 december 2025

    ECLI:NL:RVS:2025:6063

    Meerdere afhandelingswijzen

Uitspraak

202404753/3/V3.

Datum uitspraak: 9 april 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 11 juli 2024 in zaak nr. NL23.16873 in het geding tussen:

verzoeker

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 8 juni 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen twaalf weken na de verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt, met inachtneming van die uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 11 december 2024 heeft de minister het door verzoeker gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroepschrift en het verzoekschrift ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.

Overwegingen

1.       De voorzieningenrechter vat het verzoekschrift aldus op dat verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.

2.       Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.

3.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

voorzieningenrechter

w.g. Van de Kolk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025

347-1102