Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 7 maart 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van de vreemdelingen om hun…

Raad van State, 22 januari 2025

Zaakgegevens

Op 22 januari 2025 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 januari 2025
Datum publicatie
24 januari 2025
Zaaknummer
202407645/3/V3
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:250
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 7 maart 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Uitspraak

202407645/3/V3.

Datum uitspraak: 22 januari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, van:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],

verzoekers.

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2024 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 16 april 2024 in zaak nr. NL24.11374 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen geen hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 18 juli 2024 heeft de minister de Bulgaarse autoriteiten meegedeeld dat hij de termijn voor de overdracht aan Bulgarije heeft verlengd tot achttien maanden.

Bij uitspraak van 19 november 2024 in zaak nr. NL24.30310 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2024 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

Bij uitspraak van 22 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling het tegen deze uitspraak door de vreemdelingen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

De vreemdelingen hebben, vertegenwoordigd door mr. E. Berger, advocaat in Zwolle, op 22 januari 2025 krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht en de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.       De vreemdelingen hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden overgedragen totdat op het bezwaarschrift is beslist.

2.       Gelet op wat in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 22 januari 2025 in zaken nrs. 202407645/1/V3 en 202407645/2/V3 en in de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2024 is overwogen en omdat wat de vreemdelingen in hun verzoek hebben aangevoerd geen grond biedt om niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht uit te gaan, wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

3.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Den Heyer

voorzieningenrechter

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025

846