Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 17 september 2024 heeft de minister een verzoek om heroverweging van een eerder tegen…

Zaakgegevens

Op 14 januari 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14 januari 2026
Datum publicatie
12 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002669
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:153
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 17 september 2024 heeft de minister een verzoek om heroverweging van een eerder tegen betrokkene uitgevaardigd inreisverbod afgewezen.

Uitspraak

BRS.25.002669

ECLI:NL:RVS:2026:153

Datum uitspraak: 14 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 december 2025 in zaak nr. NL24.39633 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2024 heeft de minister een verzoek om heroverweging van een eerder tegen betrokkene uitgevaardigd inreisverbod afgewezen.

Bij uitspraak van 2 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het verzoek neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.

2.        Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.

w.g. Van Gastel

voorzieningenrechter

w.g. Van den Oosterkamp

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026

941