Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 10 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een…

Raad van State, 30 maart 2026

Zaakgegevens

Op 30 maart 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30 maart 2026
Datum publicatie
26 maart 2026
Zaaknummer
BRS.26.001264
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1771
E-mail

Samenvatting

Bij besluiten van 10 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

BRS.26.001264

ECLI:NL:RVS:2026:1771

Datum uitspraak: 30 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker A], [verzoeker B] , mede voor hun minderjarige kinderen

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 10 maart 2026 in zaken nrs. NL25.50647 en NL25.50648 in het geding tussen:

verzoekers

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 10 oktober 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.

2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.

3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hun ingestelde hoger beroep is beslist;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

voorzieningenrechter

w.g. Huizer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026

987