Vreemdelingenrecht
Bij besluiten van 18 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker A om hem…
Raad van State, 9 april 2026
ECLI:NL:RVS:2026:1893 · Raad van State · 9 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rvs-2026-1893
Zaakgegevens
Op 9 april 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 april 2026
- Datum publicatie
- 7 april 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.001360
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1893
Samenvatting
Bij besluiten van 18 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker A om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een aanvraag van verzoeker B om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen,
niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
BRS.26.001360
ECLI:NL:RVS:2026:1893
Datum uitspraak: 9 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A] en [verzoeker B], mede namens hun minderjarige kind,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 13 maart 2026 in zaken nrs. NL25.19118 en NL25.19119 in het geding tussen:
verzoekers
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 18 april 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker A om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een aanvraag van verzoeker B om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen,
niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 13 maart 2026 heeft de rechtbank het door verzoeker A ingestelde beroep tegen het besluit van 18 april 2025, over verzoeker A, ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank het door verzoeker B ingestelde beroep tegen het besluit van 18 april 2025, over verzoeker B, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.
2. Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hun ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026
936-1065