Vreemdelingenrecht

Raad van State · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Raad van State, 19 januari 2026

Zaakgegevens

Op 19 januari 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19 januari 2026
Datum publicatie
15 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002027
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:259
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Uitspraak

BRS.25.002027 en BRS.25.002028

ECLI:NL:RVS:2026:259

Datum uitspraak: 19 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 november 2025 in zaak nr. NL24.8360 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit).

Bij uitspraak van 11 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.A. Hardoar, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Gelet op wat het Hof van Justitie in de arresten van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, punt 41, en van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, punt 75, heeft overwogen over de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de terugkeerprocedure niet de plaats is om een diepgaand onderzoek uit te voeren. Maar de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant geen concrete aanwijzingen heeft gegeven dat de minister door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement schendt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6114, onder 6.2.

1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Essenburg

voorzieningenrechter

w.g. Van de Kolk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026

347-1102