Vreemdelingenrecht

Bij brieven van 8 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkenen geïnformeerd dat hij de…

Raad van State, 17 juni 2026

Zaakgegevens

Op 17 juni 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17 juni 2026
Datum publicatie
17 juni 2026
Zaaknummer
202601581/2/V1
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3470
E-mail

Samenvatting

Bij brieven van 8 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkenen geïnformeerd dat hij de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening per 1 januari 2025 beëindigt. Bij besluiten van 21 augustus 2025 en 11 september 2025 heeft de minister de daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 april 2026 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt.

Uitspraak

202601581/2/V1.

Datum uitspraak: 17 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 april 2026 in zaken nrs. 25/17178, 25/18646, 25/17036, 25/16952, 25/17084, 25/17184, 25/16876, 25/17187, 25/16953, 25/17190, 25/17037, 25/17180, 25/17051, 25/16955, 25/16956 en 25/17031 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij brieven van 8 oktober 2024 heeft de minister betrokkenen geïnformeerd dat hij de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening per 1 januari 2025 beëindigt.

Bij besluiten van 21 augustus 2025 en 11 september 2025 heeft de minister de daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2026 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.

2.       Gelet op de belangen die de minister en betrokkenen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.

3.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen nieuwe besluiten op bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.

w.g. Van Breda

voorzieningenrechter

w.g. Van den Oosterkamp

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026

941-1118

 

BIJLAGE

 

1.       [persoon 1],

2.       [persoon 2],

3.       [persoon 3],

4.       [persoon 4],

5.       [persoon 5],

6.       [persoon 6],

7.       [persoon 7],

8.       [persoon 8],

9.       [persoon 9],

10.     [persoon 10],

11.     [persoon 11],

12.     [persoon 12],

13.     [persoon 13],

14.     [persoon 14],

15.     [persoon 15],

16.     [persoon 16].