Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 26 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkene om haar een…

Raad van State, 29 juni 2026

Zaakgegevens

Op 29 juni 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29 juni 2026
Datum publicatie
25 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002889
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3713
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 26 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkene om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen en bepaald dat zij binnen vier weken de Europese Unie moet verlaten.

Uitspraak

BRS.26.002889

ECLI:NL:RVS:2026:3713

Datum uitspraak: 29 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 mei 2026 in zaak nr. NL25.26506 in het geding tussen:

[betrokkene 1], mede namens haar minderjarige kind

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2024 heeft de minister aanvragen van betrokkene om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen en bepaald dat zij binnen vier weken de Europese Unie moet verlaten.

Bij besluit van 19 mei 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak en met inachtneming ervan een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt en de minister opgedragen om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van betrokkene en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, tot vier weken nadat hij een besluit op het bezwaar heeft genomen.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.

2.        Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening.

3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.

w.g. Van Breda

voorzieningenrechter

w.g. Pronk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026

1028