Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 19 juli 2023 en heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van…

Raad van State, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
24 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002783
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4345
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 19 juli 2023 en heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.002783

ECLI:NL:RVS:2026:4345

Datum uitspraak: 28 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[betrokkene],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 8 mei 2026 in zaken nrs. 24/8407 en 24/11409 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2023 en heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 8 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van verzoeker om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

Bij besluit van 16 april 2024 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 8 februari 2024 door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 19 juli 2023 door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2026 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 16 april 2024 en 15 augustus 2024 door verzoeker ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft verzoeker zich nader uitgelaten.

Overwegingen

1.        De griffier heeft verzoeker er bij brief van 8 juni 2026 op gewezen dat zij voor het verzoek om een voorlopige voorziening griffierecht moet betalen. Haar is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 15 juni 2026 te betalen. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het verzoek alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Naar aanleiding van dat wat verzoeker naar voren heeft gebracht, heeft de voorzieningenrechter verzoeker een nadere termijn gegeven om het griffierecht te voldoen. Deze termijn eindigde op 13 juli 2026. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

2.        Het verzoek is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Drop

voorzieningenrechter

w.g. Graat

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026

307-1113