Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 19 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Raad van State, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
4 augustus 2026
Zaaknummer
BRS.26.003575
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4560
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 19 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.26.003575 en BRS.25.003576

ECLI:NL:RVS:2026:4560

Datum uitspraak: 6 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[betrokkene],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2026 in zaak nr. NL26.34569 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de voorzieningenrechter geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.

2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.        wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier.

w.g. Sevenster

voorzieningenrechter

w.g. Van Vulpen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026

1073