Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 18 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een…

Zaakgegevens

Op 12 augustus 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Datum publicatie
10 augustus 2026
Zaaknummer
BRS.26.003886
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4679
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 18 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

BRS.26.003886

ECLI:NL:RVS:2026:4679

Datum uitspraak: 12 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 juli 2026 in zaak nr. NL26.34281 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 21 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om per direct aan betrokkene een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met als ingangsdatum 21 mei 2026, geldig tot 21 mei 2031.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.

2.        De beoordeling van de grieven vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom en gelet op de belangen die de minister naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.

3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.

w.g. Van Breda

voorzieningenrechter

w.g. A Campo

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026

907