Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 5 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een…

Raad van State, 31 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 31 augustus 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31 augustus 2026
Datum publicatie
27 augustus 2026
Zaaknummer
BRS.26.003958
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5061
E-mail

Samenvatting

Bij besluiten van 5 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.003958

ECLI:NL:RVS:2026:5061

Datum uitspraak: 31 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] mede voor hun minderjarige kind

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 juli 2026 in zaken nrs. NL25.14416 en NL25.14417 in het geding tussen:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] mede voor hun minderjarige kind

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 5 maart 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

De minister heeft op 19 maart 2026 ten aanzien van een van de verzoekers een aanvullend besluit genomen.

Bij uitspraak van 8 juli 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers, vertegenwoordigd door mr. J.M. van Noord, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening

Overwegingen

1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.

2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).

3. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.

w.g. Essenburg

voorzieningenrechter

w.g. Heinen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026

984