Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 7 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie. aanvragen van verzoekers om hun een…

Zaakgegevens

Op 2 september 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
2 september 2026
Zaaknummer
BRS.26.004625
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5212
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluiten van 7 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie. aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Uitspraak

BRS.26.004625

ECLI:NL:RVS:2026:5212

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoekers],

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 1 september 2026 in zaken nrs. NL26.39194 en NL26.39200 in het geding tussen:

[verzoekers],

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 7 juli 2026 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 1 september 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.

2.        Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de minister en verzoekers naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening, hoewel de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 3 september 2026 verstrijkt. De overdracht van verzoekers aan Duitsland heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kunnen verzoekers vanuit Duitsland worden teruggeleid naar Nederland.

3.        Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Meijer

voorzieningenrechter

w.g. Prins

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

363-1163