Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 26 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een…

Raad van State, 11 september 2026

Zaakgegevens

Op 11 september 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11 september 2026
Datum publicatie
8 september 2026
Zaaknummer
BRS.26.003747
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5280
E-mail

Samenvatting

Bij besluiten van 26 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hun opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

Uitspraak

BRS.26.003747

ECLI:NL:RVS:2026:5280

Datum uitspraak: 11 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker A], [verzoeker B] en mede voor hun minderjarige kinderen,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 juni 2026 in zaken nrs. NL25.27692 en NL25.27693 in het geding tussen:

[verzoekers],

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 26 juni 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hun opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

Bij uitspraak van 24 juni 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.

2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.

3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G van Bekhoven, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

voorzieningenrechter

w.g. Van Bekhoven

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026

959