Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 7 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.

Raad van State, 17 september 2026

Zaakgegevens

Op 17 september 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17 september 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
BRS.26.004930
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5566
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 7 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.26.004930

ECLI:NL:RVS:2026:5566

Datum uitspraak: 17 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 juli 2026 in zaak nr. NL26.37816 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2026 heeft de minister verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 16 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Omdat de rechter de bewaring ambtshalve moet toetsen, heeft de voorzieningenrechter het hoger beroep in dit geval ook opgevat als een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.

2.        De enige grief van verzoeker roept een vraag op waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. In het licht van de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 6 tot en met 8.3 en 11 tot en met 11.2, over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, voor een maatregel van bewaring, komt daarom op dit moment aan het belang van de verzoeker om niet uitgezet te worden meer gewicht toe dan aan het belang van de minister om verzoeker uit te zetten. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.

3.        De minister moet de proceskosten vergoeden. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Verburg

voorzieningenrechter

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026

644-1204