Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 12 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van…

Raad van State, 22 september 2026

Zaakgegevens

Op 22 september 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 september 2026
Datum publicatie
22 september 2026
Zaaknummer
BRS.26.004966
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5611
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 12 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.004966

ECLI:NL:RVS:2026:5611

Datum uitspraak: 22 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker A], mede voor haar minderjarige kind en [verzoeker B],

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 augustus 2026 in zaak nr. NL23.31910 in het geding tussen:

[verzoekers]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

De minister heeft op 12 december 2025 een aanvullend besluit genomen.

Bij uitspraak van 25 augustus 2026 heeft de rechtbank het door verzoekers tegen die besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.

2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).

3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra‑Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

voorzieningenrechter

w.g. A Campo

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026

907-1149