Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 24 september 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker een vrijheidsontnemende…

Raad van State, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
BRS.26.005425
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6133
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 24 september 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Uitspraak

BRS.26.005425

ECLI:NL:RVS:2026:6133

Datum uitspraak: 16 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 7 oktober 2026 in zaak nr. NL26.57051 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2026 heeft de minister verzoeker een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 7 oktober 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Omdat de rechter de grensdetentie ambtshalve moet toetsen, heeft de voorzieningenrechter het hoger beroep in dit geval ook opgevat als een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.

2.        Het hoger beroep van verzoeker roept een vraag op waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. In het licht van artikel 5 van het EVRM komt aan het belang van verzoeker bij de opheffing van de maatregel op dit moment meer gewicht toe dan aan het belang van de minister bij het voortduren daarvan. De voorzieningenrechter heft de maatregel daarom met ingang van vandaag op.

3.        De minister moet de proceskosten vergoeden. Over de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag wordt opgeheven;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.

w.g. Stoové

voorzieningenrechter

w.g. Van Dijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026

967