Bestuursprocesrecht
Aanvraag op grond van artikel 18, eerste lid van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Beroep niet…
Rechtbank Amsterdam, 7 december 2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:7069 · Rechtbank Amsterdam · 7 december 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2021-7069
Zaakgegevens
Op 7 december 2021 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 7 december 2021
- Datum publicatie
- 6 december 2021
- Zaaknummer
- AWB - 21 _ 4716
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7069
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanvraag op grond van artikel 18, eerste lid van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Beroep niet tijdig. Gegrond. Nadere termijn twee weken.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/4716
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser,
en
Openbaar Ministerie, College van procureurs-generaal, verweerder
(gemachtigde: mr. B. van Duijn).
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
Verweerder heeft een schriftelijke reactie gegeven.
De rechtbank doet uitspraak zonder een rechtszitting te houden.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Het bestuursorgaan beslist op een aanvraag vier weken (artikel 18, eerste lid van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens). Verweerder ontving de aanvraag op 28 juli 2021. Verweerder had dus uiterlijk op 25 augustus 2021 moeten beslissen. Dit heeft verweerder niet gedaan. Eiser heeft verweerder op 3 september 2021 in gebreke gesteld. Eiser is daarna op
21 september 2021 in beroep gegaan tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag.
3. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en (meer dan) twee weken daarna in beroep is gekomen.
4. Het beroep is kennelijk gegrond.
5. Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. Eiser heeft niet verzocht om de dwangsom door de rechtbank vast te laten stellen. Dat betekent dat verweerder dit met het nieuwe besluit moet doen.
6. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn stellen. In wat verweerder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om een langere termijn dan twee weken te stellen, omdat verweerder op
14 oktober 2021 uitging van de haalbaarheid van een termijn van zes weken om alsnog op de aanvraag te beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze termijn inmiddels is verstreken en dat verweerder daarmee de tijd heeft gehad die hij nodig achtte om alsnog op de aanvraag te beslissen. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee weken na deze uitspraak moet beslissen op de aanvraag.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiser heeft verzocht de hoogst mogelijke dwangsom op te leggen aan verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder een dwangsom van meer dan € 100,- per dag op te leggen, omdat verweerder in zijn verweerschrift heeft aangegeven dat hij voornemens is op de aanvraag te beslissen. Er is daarom geen aanwijzing dat een extra prikkel nodig is. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om, zoals verweerder heeft verzocht, geen dwangsom op te leggen. De omstandigheid dat eiser nog niet heeft beslist op de aanvraag is voldoende aanleiding om een dwangsom op te leggen.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
9. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter, in aanwezigheid van N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.