Bestuursrecht overig
Verzoek voorlopige voorziening. Geldigheid rijbewijs geschorst. Onderzoek naar geschiktheid opgelegd. Verzoek…
Rechtbank Amsterdam, 4 juli 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:4647 · Rechtbank Amsterdam · 4 juli 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbams-2025-4647
Zaakgegevens
Op 4 juli 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 juli 2025
- Datum publicatie
- 3 juli 2025
- Zaaknummer
- AMS 25/3802
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2025:4647
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek voorlopige voorziening. Geldigheid rijbewijs geschorst. Onderzoek naar geschiktheid opgelegd. Verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Geen gronden vermeld in het verzoekschrift. Spoedeisend belang niet onderbouwd. Geen reactie ontvangen na herstelmogelijkheid.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3802
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder (hierna: het CBR)
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de schorsing van de geldigheid van zijn rijbewijs en de oplegging van een onderzoek naar zijn geschiktheid. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Het CBR heeft met het besluit van 17 april 2025 een onderzoek naar verzoeker zijn geschiktheid, meer specifiek zijn drugsgebruik opgelegd, en daarbij de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.
Met het bestreden besluit van 23 mei 2025 op het bezwaar van verzoeker heeft het CBR het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet in het verzoekschrift de gronden van het verzoek vermelden. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoeker heeft geen gronden vermeld in het verzoekschrift. Bovendien heeft verzoeker het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet onderbouwd. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 25 juni 2025 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen.
De voorzieningenrechter heeft binnen die termijn geen reactie ontvangen, terwijl de termijn daarvoor verstreken is.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. niet onderbouwd De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: