Bestuursrecht overig
Vovo hangende bezwaar. Buiten zitting. Afwijzing aanvraag VOG. Geen spoedeisend belang. Niet gebleken dat het…
Rechtbank Amsterdam, 24 maart 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:2987 · Rechtbank Amsterdam · 24 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbams-2026-2987
Zaakgegevens
Op 24 maart 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 maart 2026
- Datum publicatie
- 23 maart 2026
- Zaaknummer
- 26/1589
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2987
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo hangende bezwaar. Buiten zitting. Afwijzing aanvraag VOG. Geen spoedeisend belang. Niet gebleken dat het voor verzoeker niet mogelijk is om werk te zoeken in een andere branche met werkuren in de avond en weekenden.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1589
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Wetsema),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 februari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat verzoeker moet worden behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert hierover aan dat hij een groot belang heeft bij het verkrijgen van een VOG. Verzoeker is reeds vijf jaar werkzaam geweest als taxichauffeur en heeft vanaf 2022 tot op heden zijn eigen taxionderneming. Wegens het niet tijdig kunnen overleggen van een nieuwe VOG, beschikt verzoeker niet meer over een geldige chauffeurskaart en kan hij zijn werkzaamheden als ZZP’er niet voortzetten. Verzoeker heeft op dit moment geen inkomen, terwijl zijn hoge (bedrijfs)lasten en vaste privé lasten doorlopen. De chauffeurskaart is voor verzoeker de enige mogelijkheid om een inkomen te generen om zijn bedrijfslasten en studie te bekostigen. Verzoeker is naast zijn werk als taxichauffeur fulltime student, hij volgt een HBO-studie Luchtvaarttechniek. Er is volgens verzoeker geen andere baan die hem dezelfde flexibiliteit geeft om naast zijn studie inkomen te generen.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit wat verzoeker heeft aangevoerd niet dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker geeft aan dat het voor hem onmogelijk is om een andere baan naast zijn opleiding te vinden die voldoende oplevert en daarbij voldoende flexibiliteit biedt. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het voor verzoeker niet mogelijk is om werk te zoeken in een andere branche dan de taxibranche met werkuren in de avond en weekenden om zijn vaste lasten te kunnen bekostigen. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert dat van hem niet kan worden verlangd dat hij de bezwaarprocedure afwacht. Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanknopingspunten daarvoor in de stukken die zich in het dossier bevinden. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen spoedeisend belang is.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: