Bestuursrecht overig

Verzoek om een voorlopige voorziening. Gebiedsverbod op grond van artikel 175, eerste lid, van de…

Rechtbank Amsterdam, 14 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 14 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
14 augustus 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
AMS 26/4544
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:8326
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening. Gebiedsverbod op grond van artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet. Geen spoedeisend belang en geen sprake van een evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

Zaaknummer: AMS 26/4544


uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Johannes en mr. M. Houben).

Samenvatting

1.1.

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een gebiedsverbod dat door verweerder aan verzoeker is opgelegd. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.2.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.

Met het bestreden besluit van 16 juli 2026 heeft verweerder aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd dat geldt van 16 juli 2026 tot en met 15 augustus 2026 voor de stadsdelen [stadsdelen] te Amsterdam. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat het gebiedsverbod wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.

Het gebiedsverbod

3. Verweerder heeft met het bestreden besluit op grond van artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet aan verzoeker het gebiedsverbod opgelegd. Het verbod geldt voor de stadsdelen [stadsdelen] in Amsterdam dat is aangegeven op de bij het bevel aangehechte kaart. Verweerder heeft het gebiedsverbod opgelegd omdat er vrees bestaat dat de aanwezigheid van verzoeker in de stadsdelen [stadsdelen] in Amsterdam tot ernstige openbare orde verstoring kan leiden. Uit informatie van de politie blijkt namelijk dat er een actuele dreiging op het leven van verzoeker is. Onlangs hebben meerdere incidenten plaatsgevonden waaronder een explosie en beschieting die volgens de politie voor verzoeker bedoeld zijn.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. In het geval als het onderhavige, dient de voorzieningenrechter daarbij de vraag te beantwoorden of uitblijven van de gevraagde voorziening in dit geval leidt tot het ontstaan van een zodanige ernstige situatie dat het niet mogelijk is om de beslissing op bezwaar af te wachten.

5. Verzoeker voert aan dat het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat verzoeker voor zijn werk nu een groot gedeelte van de stad niet in mag. Ook is de snelweg ring A10 niet geheel te gebruiken. Verzoeker is werkzaam bij een [bedrijf] dat opereert in en rond Amsterdam waardoor dit een grote belemmering geeft. Daarnaast mag verzoeker ook zijn eigen woning niet in omdat zijn woning is gelegen in het stadsdeel waarvoor het gebiedsverbod geldt.

6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het gebiedsverbod dat aan verzoeker is opgelegd geldt tot en met 15 augustus 2026. Het betreft dus nog een korte periode waarin verzoeker niet aanwezig mag zijn in de stadsdelen [stadsdelen]. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de komende dagen in zijn woning moet kunnen. Verzoeker verblijft bij zijn ex-partner en mag daar ook verblijven totdat hij weer terug mag naar zijn woning. Voor wat betreft zijn werk, heeft verzoeker op de zitting toegelicht dat hij de komende dagen werkt in het Gooi en dat hij daarvoor niet over de ring A10 hoeft die is gelegen in [stadsdelen]. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken van zulke dringende concrete omstandigheden dat het belemmeren van de toegang tot onomkeerbare schade zal lijden in de beperkte periode die nog rest tot en met

15 augustus 2026 en dat verzoeker de bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

7. Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan hij alleen een voorlopige voorziening treffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet juist is.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Verweerder mocht uitgaan van de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie. Uit deze rapportage blijkt dat bij en in de buurt van de woning van verzoeker verschillende incidenten hebben plaatsgevonden. Verzoeker woont op het adres [adres 1]. Op [datum 1] 2026 vond een explosie plaats aan de [adres 2] en op [datum 2] 2026 vond een schietincident plaats waarbij er geschoten werd op de woning aan de [adres 3]. De politie vermoedt dat de beschieting van de woning aan de [adres 3] een vergissing was en dat die beschieting eigenlijk op verzoeker gericht was. Verder werd op [datum 3] 2026 een dreigbrief afgegeven aan de [adres 3]. Deze dreigbrief bevatte volgens de politie een directe bedreiging aan het adres van verzoeker en zijn familie. Daarnaast blijkt uit informatie van het Team Criminele Inlichtingen dat er een actuele dreiging is op het leven van verzoeker. Gelet op deze omstandigheden kon verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter tot het oordeel komen dat ernstige vrees bestond voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden en vrees voor de veiligheid van omwonenden, passanten en bezoekers in de gebieden waar verzoeker zich voornamelijk bevindt en waar de kans op escalatie groot is en heeft verweerder het gebiedsverbod daarom in redelijkheid kunnen opleggen.

9. Verzoeker heeft ten slotte naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen concrete belangen naar voren gebracht die zwaarder zouden moeten wegen dan de belangen die zijn gediend bij het gebiedsverbod en de handhaving van de openbare orde.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.