Socialezekerheidsrecht
Beroep ongegrond. AOW. Gezamenlijke huishouding en terugvordering. De rechtbank ziet in wat eiser heeft…
Rechtbank Amsterdam, 28 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7852 · Rechtbank Amsterdam · 28 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-7852
Zaakgegevens
Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26/1154
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7852
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep ongegrond. AOW. Gezamenlijke huishouding en terugvordering. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het huisbezoek onzorgvuldig is verlopen. Daarbij kent de rechtbank meer gewicht toe aan het door eiser voorafgaand aan het huisbezoek ondertekende formulier ‘verklaring omtrent huisbezoek’ dan aan de door eiser achteraf afgelegde verklaring.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1154
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] (Filipijnen), eiser
(gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen),
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A.H. Koning).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn AOW-pensioen.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 27 mei 2025 het AOW-pensioen van eiser vanaf 2 oktober 2016 herzien naar de norm van een gehuwde en een bedrag van € 39.372,45 teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 29 januari 2026 is verweerder bij dit besluit gebleven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde en twee toehoorders. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser heeft op 5 juli 2016 een AOW-pensioen aangevraagd. Aan hem is vervolgens met ingang van 2 oktober 2016 een AOW-pensioen toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Op 16 mei 2024 heeft de afdeling Preventie & Handhaving van verweerder een tipmelding ontvangen, waarin werd gemeld dat eiser zou samenwonen met een vrouw. Naar aanleiding van deze melding heeft verweerder onderzoek verricht naar de leefsituatie van eiser. In dat kader hebben twee medewerkers van verweerder op 25 februari 2025 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd bij eiser. Daarnaast heeft verweerder eiser enkele vragenlijsten laten invullen. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een handhavingsrapportage van 8 mei 2025.
2. Verweerder heeft vervolgens de in de inleiding genoemde besluiten genomen, waarbij het AOW-pensioen van eiser met ingang van 2 oktober 2016 is herzien naar de norm voor een gehuwde en een bedrag van € 39.372,45 van hem is teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser een gezamenlijke huishouding voert met mevrouw [persoon] . Volgens verweerder bevindt het zwaartepunt van haar sociale leven zich op het adres waar eiser woont. Daarnaast is volgens verweerder sprake van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling. Daarbij wijst verweerder erop dat eiser alle woonlasten betaalt, terwijl mevrouw [persoon] het volledige huishouden verzorgt. Verder verblijft zij vrijwel de gehele week in de woning van eiser. Ook is mevrouw [persoon] eigenaar geworden van de grond waarop de woning van eiser is gebouwd, heeft eiser haar in zijn testament als begunstigde aangewezen en kan zij na zijn overlijden beschikken over het saldo van zijn bankrekening.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder het AOW-pensioen van eiser terecht heeft herzien en teruggevorderd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Het door verweerder verrichte onderzoek
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het door verweerder verrichte onderzoek onzorgvuldig is, omdat geen toereikende aanleiding bestond voor het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder is belast met de uitvoering van de AOW en dient in dat kader de feiten en omstandigheden vast te stellen die van belang zijn voor de beoordeling van het recht op een AOW-pensioen en de hoogte daarvan. Het staat verweerder daarom vrij onderzoek te verrichten wanneer gerede twijfel bestaat over de juistheid of volledigheid van de beschikbare gegevens. Verweerder heeft toegelicht dat naar aanleiding van een anonieme melding twijfel is ontstaan over de vraag of eiser een gezamenlijke huishouding voerde. Naar het oordeel van de rechtbank vormde deze melding voldoende aanleiding om nader onderzoek te verrichten. Verweerder heeft in dat kader kunnen besluiten een onaangekondigd huisbezoek af te leggen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit beleidsregel SB4234 volgt dat verweerder per individueel geval beoordeelt of een huisbezoek vooraf wordt aangekondigd. Het stond eiser vrij om geen toestemming te verlenen voor het huisbezoek. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder met het afleggen van het onaangekondigde huisbezoek onzorgvuldig heeft gehandeld.
5. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat het huisbezoek onzorgvuldig is uitgevoerd. Eiser heeft aangevoerd dat de medewerkers van verweerder met een smoes zijn binnengekomen, dat zij de indruk hebben gewekt dat het onderzoek betrekking had op een mogelijke samenwoning met een ander en dat hij zich onder druk gezet voelde doordat hem zou zijn voorgehouden dat zijn AOW-uitkering op het spel stond. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het huisbezoek onzorgvuldig is verlopen. Daarbij kent de rechtbank meer gewicht toe aan het door eiser voorafgaand aan het huisbezoek ondertekende formulier ‘verklaring omtrent huisbezoek’ dan aan de door eiser achteraf afgelegde verklaring. Uit dit formulier blijkt dat aan eiser is uitgelegd wat het doel van het huisbezoek was, dat zijn toestemming werd gevraagd voor het betreden van de woning en dat hij erop is gewezen dat hij deze toestemming kon weigeren zonder dat dit gevolgen zou hebben voor zijn AOW-pensioen. Uit het handhavingsrapport blijkt dat deze informatie met eiser is besproken. Dat eiser de situatie als belastend heeft ervaren of zich onder druk gezet heeft gevoeld, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
6. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij het formulier en de overige stukken niet of onvoldoende heeft kunnen lezen voordat hij deze ondertekende, leidt dat evenmin tot een ander oordeel. Het lag op zijn weg om vóór ondertekening kennis te nemen van de inhoud van de formulieren. Indien hij het niet eens was met de inhoud of daarover vragen had, had hij kunnen weigeren deze te ondertekenen of om een toelichting kunnen vragen. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het huisbezoek op onzorgvuldige wijze is uitgevoerd.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest.
Gezamenlijke huishouding
8. Aan de orde is vervolgens of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser sinds 2016 een gezamenlijke huishouding voert en daarom over de periode sindsdien als gehuwd in de zin van de AOW moet worden aangemerkt. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en sprake is van wederzijdse zorg.
Hoofdverblijf
9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser en mevrouw [persoon] hun hoofdverblijf in de woning van eiser hebben. De rechtbank volgt verweerder hierin. Verweerder heeft dit standpunt gemotiveerd met de bevindingen uit het onderzoek, waaruit blijkt dat eiser de gehele week in de woning verblijft en dat mevrouw [persoon] daar vijf tot zes dagen per week verblijft en daar ook slaapt. Gelet op de frequentie en de duur van haar verblijf heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het zwaartepunt van het verblijf van mevrouw [persoon] op dit adres ligt. Dat ook haar sociale leven zich grotendeels vanuit deze woning afspeelt, ondersteunt deze conclusie. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in de formulieren ‘aanvang onderzoek algemeen’ en ‘checklist gezamenlijke huishouding’. Eiser heeft ook deze formulieren ondertekend. Verweerder mocht daarom uitgaan van de juistheid van de daarin opgenomen verklaringen. Eiser heeft weliswaar toegelicht waarom de formulieren volgens hem niet een juiste weergave geven van de feitelijke situatie, maar de rechtbank kent aan deze toelichting niet het gewicht toe dat eiser daaraan gehecht wil zien. Daarbij is van belang dat eiser de formulieren na het gesprek heeft ondertekend en dat hij niet heeft toegelicht waarom hij, als de inhoud daarvan volgens hem niet juist was, deze desondanks heeft ondertekend. De door eiser gegeven toelichting is onvoldoende om de door verweerder vastgelegde bevindingen terzijde te schuiven.
10. Eiser heeft aangevoerd dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, omdat mevrouw [persoon] een eigen woning heeft waarover zij vrij kan beschikken. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW volgt dat onder het vrij ter beschikking hebben van een woning wordt verstaan dat de woning niet wordt bewoond en daarin feitelijk geen verblijf wordt gehouden door een ander dan de pensioengerechtigde of de andere ongehuwde meerderjarige persoon, anders dan een bloedverwant in de eerste graad, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van dat Besluit. Niet in geschil is dat de zus en dochter van mevrouw [persoon] in deze woning verblijven. Daarmee voldoet de woning niet aan de voorwaarden om als vrij ter beschikking staand te worden aangemerkt. Dat mevrouw [persoon] haar zus en dochter kan verzoeken de woning te verlaten, maakt niet dat zij vrij over de woning kan beschikken in de zin van het Besluit. Dat mevrouw [persoon] een eigen woning heeft, staat er dus niet aan in de weg dat sprake is van een gezamenlijke huishouding met eiser en zij haar hoofdverblijf heeft in de woning van eiser.
Wederzijdse zorg
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat sprake is van wederzijdse zorg tussen eiser en mevrouw [persoon] . Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet vereist dat sprake is van een affectieve relatie. Het gaat erom of betrokkenen over en weer zorg voor elkaar dragen door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Verweerder heeft zich daarbij terecht gebaseerd op de verschillende vormen van financiële en praktische verbondenheid tussen eiser en mevrouw [persoon] . Eiser is eigenaar van de woning en mevrouw [persoon] is sinds november 2024 eigenaar van de grond waarop deze woning staat. Daarnaast betaalt eiser de kosten van de woning, de kosten van de huishouding en de boodschappen. Eiser stelt twee auto’s ter beschikking, waarvan mevrouw [persoon] gebruikmaakt. Daartegenover staat dat mevrouw [persoon] huishoudelijke werkzaamheden verricht en de maaltijden bereidt. Verder heeft eiser verklaard dat hij mevrouw [persoon] in zijn testament heeft opgenomen en dat zij zijn bezittingen na zijn overlijden zal verkrijgen. Dit alles is vermeld in de formulieren die eiser heeft ondertekend. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen en neemt deze verklaringen daarom als uitgangspunt. In onderlinge samenhang bezien geven deze omstandigheden blijk van een duurzame mate van financiële en praktische verbondenheid, waarbij eiser en mevrouw [persoon] over en weer in elkaars behoeften voorzien. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. De verklaring van eiser dat mevrouw [persoon] de grond op haar naam heeft gekregen omdat hij als buitenlander in de Filipijnen de grond niet zelf kon kopen, leidt niet tot een ander oordeel. Ook de verklaring van eiser dat hij haar in zijn testament heeft opgenomen omdat hij niet wil dat iemand anders zijn bezittingen erft, maakt niet dat daaraan, in het licht van alle omstandigheden, geen betekenis toekomt. De toelichting van eiser op de achtergrond ervan neemt de bestaande financiële en praktische verwevenheid tussen eiser en mevrouw [persoon] immers niet weg.
12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Daarmee is sprake van een gezamenlijke huishouding in de zin van de AOW.
Ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding
13. Eiser heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, ook als wordt aangenomen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, onvoldoende is komen vast te staan dat deze al sinds 2 oktober 2016 bestaat. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft tijdens het onderzoek tegenover de handhavingsambtenaren verklaard dat de situatie al ongeveer vijftien jaar hetzelfde is en dat mevrouw [persoon] al ongeveer vijftien jaar in de woning verblijft. Deze verklaring is vastgelegd in een formulier dat eiser heeft ondertekend. Verweerder mocht bij de beoordeling van de duur van de gezamenlijke huishouding betekenis toekennen aan deze door eiser zelf afgelegde en ondertekende verklaring. Eiser heeft deze verklaring later genuanceerd en toegelicht waarom volgens hem niet van de door verweerder aangenomen periode kan worden uitgegaan. De rechtbank kent aan deze nuancering echter niet het gewicht toe dat eiser daaraan gehecht wil zien. Daarbij is van belang dat de eerdere verklaring tijdens het onderzoek is afgelegd, schriftelijk is vastgelegd en door eiser is ondertekend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze verklaring onjuist is weergegeven of dat daaraan een andere betekenis moet worden toegekend dan verweerder heeft gedaan. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de gezamenlijke huishouding al bestond vanaf 2 oktober 2016.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft het AOW-pensioen van eiser terecht vanaf 2 oktober 2016 herzien naar de norm van een gehuwde en een bedrag van € 39.372,45 teruggevorderd.
15. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.