Burgerlijk procesrecht
Eiseres vordert een verklaring voor recht dat gedaagde nog gebonden is aan (een exclusiviteitsbeding in) een…
Rechtbank Amsterdam, 30 september 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10230 · Rechtbank Amsterdam · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-10230
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/13/779984 / HA ZA 25-1794
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.M. Leeuwenburgh, mr. W.M. Welage
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10230
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eiseres vordert een verklaring voor recht dat gedaagde nog gebonden is aan (een exclusiviteitsbeding in) een tussen partijen overeengekomen Term Sheet Diezelfde vraag ligt op dit moment in hoger beroep in een andere procedure tussen partijen voor (de hoofdprocedure). De rechtbank oordeelt dat eiser niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, omdat er een risico bestaat op tegenstrijdige beslissingen. Het instellen van deze vordering in een bodemprocedure terwijl het hoger beroep in de hoofdprocedure nog loopt, is daarom in strijd met de goede procesorde. Hetzelfde geldt voor het gevorderde verbod om met derden te onderhandelen, omdat ook deze vordering neerkomt op de vraag of gedaagde nog gebonden is aan de Term Sheet.
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/779984 / HA ZA 25-1794
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R.M. Leeuwenburgh,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. W.M. Welage.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 november 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 1 april 2026, waarin is bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 juli 2026 en de daarin genoemde processtukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] en [gedaagde] zijn beide indirect franchisenemers van Albert Heijn.
[gedaagde] is volledig aandeelhouder van [bedrijf] B.V. ([bedrijf]), een vennootschap waarin een Albert Heijn supermarkt in Malden wordt geëxploiteerd.
In oktober 2023 zijn [gedaagde] en [eiser] in gesprek gegaan over de verkoop van de aandelen in [bedrijf] aan [eiser] en zij hebben op 24 oktober 2023 een term sheet (Term Sheet) ondertekend. Daarin is [gedaagde] aangeduid als Verkoper, [eiser] als Koper en de verkoop en levering van de aandelen als Transactie (zoals nader gedefinieerd in de Term Sheet). De Term Sheet verplicht partijen onder meer om op exclusieve basis met elkaar te onderhandelen (het exclusiviteitsbeding):
‘Verkoper verleent Koper vanaf de datum van deze Term tot exclusiviteit met betrekking tot de Transactie en de Locatie en verbindt zich om op geen enkele wijze, direct of indirect, met enige derde te onderhandelen en/of afspraken te maken over een transactie die de Transactie en/of (wijzigingen in) de huur van de Locatie zoals genoemd in de paragraaf ‘Huurovereenkomst’ in de weg zou staan.’
Verder zijn in de Term Sheet verschillende opschortende voorwaarden opgenomen alsook een bepaling over beëindiging van de Term Sheet, inhoudende voor zover van belang:
‘Deze Term Sheet kan door middel van een schriftelijke kennisgeving door Koper worden beëindigd indien een of meer van de Opschortende Voorwaarden niet uiterlijk op 31 december 2023 zijn vervuld, zonder dat Koper aan de Verkoper een gevolg hiervan enige vorm van schadevergoeding verschuldigd is.(…)’
Na het tekenen van de Term Sheet heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat met het tekenen van de Term Sheet een geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen waaruit volgt dat [gedaagde] de aandelen in de vennootschap moet leveren, terwijl [gedaagde] stelde dat de Term Sheet alleen een onderhandelingsdocument is waarop zij kan terugkomen. Vervolgens is hierover geprocedeerd bij deze rechtbank (hierna: de hoofdprocedure).
Op 27 november 2024 heeft deze rechtbank geoordeeld dat er met de ondertekening van de Term Sheet geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Subsidiair had Gelders gevorderd dat moest worden dooronderhandeld op basis van het volgens [eiser] overeengekomen bedrag van 13,5 miljoen euro. Die vordering is ook afgewezen. In reconventie had [gedaagde] gevorderd dat de Term Sheet was of zou worden beëindigd, zodat zij ook niet meer gebonden was aan het exclusiviteitsbeding. Ook die vordering is afgewezen. Partijen moesten dus nog wel verder met elkaar onderhandelen. De rechtbank heeft hierover als volgt overwogen:
‘4.16 [gedaagde] stelt – samengevat – dat de Term Sheet is geëindigd, omdat de in de Term Sheet opgenomen opschortende voorwaarden nog niet zijn vervuld en het daarin vastgelegde tijdpad waarin de (ver)koop van de aandelen moest zijn afgerond inmiddels ruimschoots is verstreken. Daarin wordt [gedaagde] niet gevolgd. Voornoemde door [gedaagde] gestelde omstandigheden brengen namelijk niet zonder meer mee dat de Term Sheet is geëindigd.
Daarnaast heeft [gedaagde] toegelicht dat het in strijd zou zijn met de bedoeling van partijen en met de redelijkheid en billijkheid indien zij de Term Sheet niet kan beëindigen, omdat dan de Term Sheet – bij uitblijven van opzegging door [eiser] – eeuwig zou voortduren en zij niet meer vrij zou zijn om de aandelen te vervreemden aan een andere partij dan [eiser]. De rechtbank ziet in deze door [gedaagde] aangedragen omstandigheden geen aanleiding om te oordelen dat de Term Sheet is geëindigd dan wel om de Term Sheet te beëindigen. De Term Sheet behoudt haar gelding, totdat daarvan door [eiser] misbruik wordt gemaakt of door [eiser] anderszins wordt gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid waardoor het onaanvaardbaar zou zijn om [gedaagde] daaraan te houden. Nu de onderhandelingen van partijen voortduren, is dat nog niet aan de orde. Het beroep van [gedaagde] op het bepaalde in artikel 6 van de Term Sheet, waarin alleen aan [eiser] een bevoegdheid tot beëindiging is toegekend, maakt dit niet anders.
Al het voorgaande betekent dat de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.’
[eiser] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen. [gedaagde] heeft incidenteel appel ingesteld. Inmiddels heeft het hof bepaald dat op 6 oktober 2026 arrest zal worden gewezen.
Nadat de rechtbank in haar vonnis van 27 november 2024 had geoordeeld dat de Term Sheet nog niet was geëindigd heeft [gedaagde] voorstellen gedaan om alsnog tot een overname te komen en zijn gesprekken gevoerd waarbij ook de verhuurder was betrokken. Dit heeft niet tot overeenstemming geleid.
In een e-mail van 13 maart 2025 heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de Term Sheet is geëindigd:
[eiser] heeft [gedaagde] vervolgens verzocht te bevestigen dat zij het exclusiviteitsbeding zal nakomen. Op 11 september 2025 heeft [gedaagde] geantwoord dat zij zich daaraan niet gebonden acht, omdat de Term Sheet naar haar mening is beëindigd.
3 Het geschil
[eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat:
a. aan de opzegging van de Term Sheet door [gedaagde] van 13 maart 2025 geen rechtsgevolgen toekomen;
b. de Term Sheet niet is geëindigd;
c. [gedaagde] jegens [eiser] gehouden is tot nakoming van het exclusiviteitsbeding.
II. [gedaagde] verbiedt, totdat het in de tussen partijen aanhangige procedure bij het Gerechtshof Amsterdam met zaaknummer 200.355.969/01 te wijzen arrest in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, op enige wijze, direct of indirect, met enige derde te onderhandelen en/of afspraken te maken over enige transactie met betrekking tot (het verkopen of bezwaren van) de Aandelen, dan wel enige andere handeling die (i) de Transactie en/of (ii) (wijzigingen in) de huur van de Locatie zoals genoemd in de paragraaf ‘Huurovereenkomst’ ̶ één en ander zoals gedefinieerd in de Term Sheet ̶ in de weg zou staan;
III. aan het onder II gevorderde verbod een dwangsom verbindt van € 250.000 per overtreding en vervolgens van € 250.000 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde], nadat zij door [eiser] schriftelijk op de overtreding is gewezen en vervolgens 48 uur zal zijn verstreken, nalaat (i) de onderhandelingen met de derde(n) schriftelijk te beëindigen en (ii) [eiser] van dat bericht van beëindiging een kopie te doen toekomen;
en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten, met rente.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft geen grond de Term Sheet te beëindigen, zodat het exclusiviteitsbeding onverkort geldt. Omdat [gedaagde] zich niet gebonden acht aan het exclusiviteitsbeding dreigt de primaire vordering van [eiser] in de hoofdprocedure tot levering van de aandelen illusoir te worden. Daarom vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde] de Term Sheet niet kan beëindigen en (daarom) gebonden is aan het exclusiviteitsbeding en voorts vordert zij dat [gedaagde] wordt verboden om te onderhandelen en/of afspraken te maken met derden op straffe van een dwangsom. Om samenloop van deze procedure met de hoofdprocedure in hoger beroep te voorkomen beperkt [eiser] haar verbodsvorderingen nadrukkelijk in de tijd, te weten tot het moment dat het arrest in de hoofdprocedure in kracht van gewijsde zal zijn gegaan.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Daartoe voert [gedaagde] onder meer aan dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het in strijd is met de goede procesorde om een rechtsvraag die bij een hogere rechter in een bodemprocedure aanhangig is, tegelijkertijd in een afzonderlijke bodemprocedure voor te leggen aan de rechtbank.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Verklaring voor recht
In de kern komt de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht neer op de vraag of [gedaagde] nog gebonden is aan de Term Sheet, waaronder het exclusiviteitsbeding. Diezelfde vraag ligt op dit moment in hoger beroep in de hoofdprocedure voor.
In incidenteel appel komt [gedaagde] immers op tegen de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van haar vorderingen in reconventie om voor recht te verklaren dat de Term Sheet is geëindigd dan wel deze te beëindigen. In haar memorie van antwoord stelt [gedaagde] daartoe primair dat de Term Sheet is beëindigd wegens het niet tijdig in vervulling gaan van opschortende voorwaarden van de Term Sheet en subsidiair dat [gedaagde] de bevoegdheid had om de Term Sheet op 13 maart 2025 te beëindigen wegens (kort gezegd) het stuklopen van de onderhandelingen. [gedaagde] concludeert dan ook dat haar vordering in reconventie (zie 2.6) alsnog moet worden toegewezen.
[eiser] heeft gesteld dat bij de gevorderde verklaring voor recht geen risico op tegenstrijdige beslissingen bestaat, omdat het gaat om een verklaring over een rechtstoestand ten tijde van het wijzen van het vonnis in deze procedure, waaraan niets ten uitvoer valt te leggen. De rechtbank kan dit betoog niet volgen. Het feit dat een verklaring voor recht niet ten uitvoer kan worden gelegd, neemt niet weg dat de rechtbank zou moeten oordelen over dezelfde feiten waarover het hof moet oordelen en over dezelfde rechtsvraag naar de gebondenheid aan de Term Sheet. Er bestaat dus wel degelijk een risico op tegenstrijdige beslissingen.
Het instellen van deze vordering in een bodemprocedure terwijl het hoger beroep in de hoofdprocedure nog loopt, is daarom in strijd met de goede procesorde. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.
Verbod om met derden te onderhandelen
[eiser] vordert verder om [gedaagde] te verbieden om met derden te onderhandelen en/of afspraken te maken over de aandelen in [bedrijf], dan wel andere handelingen aan te gaan die in de weg zouden staan aan de verkoop van de aandelen aan [eiser]. De rechtbank begrijpt deze vordering als een vordering tot nakoming van het exclusiviteitsbeding in de Term Sheet. Ook daarvoor is van belang of [gedaagde] nog gebonden is aan de Term Sheet. Ook voor deze vordering geldt dus dat een oordeel zou moeten worden gegeven over de vraag die ook in de hoofdprocedure bij het hof voorligt. Dit is in strijd met de goede procesorde.
Ter zitting is door [eiser] gesteld dat de verbodsvordering is bedoeld als voorziening voor de duur van het geding in hoger beroep, op dezelfde wijze als artikel 223 Rechtsvordering (Rv). Een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv kan echter uitsluitend worden gevorderd bij de rechter bij wie het geding aanhangig is.
[eiser] had dus op grond van artikel 223 Rv (in samenhang met artikel 353 lid 1 Rv) een incidentele vordering in de lopende procedure bij het hof kunnen instellen. Een andere mogelijkheid was geweest om een kort geding aanhangig te maken. [eiser] heeft voor beide niet gekozen, omdat zij enerzijds verwachtte dat het hof pas bij arrest in de hoofdzaak op een incident zou beslissen en omdat zij anderzijds vreesde dat de voorzieningenrechter in een kort geding geen spoedeisend belang zou aannemen. Daargelaten of die zorgen terecht waren, opent dit niet de mogelijkheid om de gewenste voorziening in een afzonderlijke bodemprocedure te vorderen.
Conclusie en proceskosten
De slotsom is dan ook dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, wegens strijd met de goede procesorde.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
714,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.306,00 |
(2 punten × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.209,00 |
5 De beslissing
De rechtbank
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.