Civiel recht overig

Verzoek afgewezen. De grond voor de wraking is gelegen in de mogelijkheid dat de rechter op 4 september 2017…

Rechtbank Amsterdam, 5 september 2017

Zaakgegevens

Op 5 september 2017 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
5 september 2017
Datum publicatie
30 maart 2018
Zaaknummer
HA RK 17/253
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2017:10403
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek afgewezen. De grond voor de wraking is gelegen in de mogelijkheid dat de rechter op 4 september 2017 direct vonnis kan wijzen als vermeld in de brief van de griffier van 21 augustus 2017. Verzoeker meent dat die mogelijkheid ten onrechte in de brief is opgenomen en vanwege de door hem gestelde feiten en omstandigheden in alle redelijkheid de kans bestaat dat de rechter direct vonnis wijst. Als reden voert verzoeker aan dat de rechter door de bedreigingen en het bedrog als in de beslissing onder 2.2 en 2.3 vermeld doof is voor de stellingen van verzoeker en daarvan geen kennis neemt.

Het enkel vermelden van een aantal mogelijkheden in een brief op welke wijze de behandeling van de zaak zal kunnen worden voortgezet, kan niet worden beschouwd als een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter jegens verzoeker een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid koestert. Hetgeen door verzoeker daartoe is aangevoerd dat de rechter terrorisme gerelateerd wordt bedreigd en bedrogen wordt onderbouwd met argumenten die voor ieder weldenkend mens volstrekt onzinnig zijn. Dat de rechtbank Amsterdam verzoeker reeds twee keer heeft benadeeld door hem geen eerlijk proces te gunnen in zaken waarin omstandigheden aan de orde waren die in de onderhavige zaak ook aan de orde zijn, betreft geen (op de persoon van de rechter gerichte) feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het bij brief van 24 augustus 2017 schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/13/634645 HA RK 17/253 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker

welk verzoek strekt tot wraking van mr. L. van Berkum, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

Verzoeker is gedaagde partij in een bij de rechtbank onder zaaknummer 6085834 / CV EXPL 17-14183 geregistreerde en aanhangige procedure. De rechter heeft het dossier in behandeling. In de zaak heeft verzoeker schriftelijk gereageerd op de tegen hem ingestelde eis.

1.2

Bij brief van 21 augustus 2017 heeft de griffier verzoeker onder meer het volgende

“Uw schriftelijke reactie op de dagvaarding die u voor deze zitting aan mij toezond, is

tijdig door mij ontvangen. Een exemplaar van uw processtuk heb ik aan de wederpartij doen toekomen.

De kantonrechter zal op de zitting van maandag 4 september 2017 te 10.00 uur bepalen hoc de zaak wordt voortgezet.

Er zijn drie mogelijkheden:

1. De kantonrechter laat weten dat er nu eerst een bijeenkomst met partijen dient

plaats te vinden. Een datum voor die zitting zal nog worden vastgesteld.

2. De wederpartij mag schriftelijk reageren op uw processtuk op een zitting, waarvan

de datum nog vastgesteld zal worden.

3. De kantonrechter wijst over enige weken direct vonnis.

U hoeft op de zitting van maandag 4 september 2017 te 10.00 uur niet aanwezig te zijn. Na deze zitting zult u worden geïnformeerd over wat de kantonrechter besloten heeft.”

1.3

In reactie op die brief heeft verzoeker het wrakingsverzoek ingediend.

2 De gronden van het verzoek

2.1 4

De rechter wordt geen persoonlijk verwijt gemaakt, aldus verzoeker. Feiten en omstandigheden waar de rechter geen invloed op heeft vormen de gronden voor wraking.

2.2

Als eerste grond voor wraking heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter terrorisme gerelateerd wordt bedreigd met “dire consequences” en “organizations that will see to it that there are consequences” om de waarheid en de feiten die verzoeker inbrengt te ontkennen of negeren of ervan weg te kijken

2.3

Als tweede grond voor wraking heeft verzoeker het volgende aangevoerd. De rechtspraak wordt terrorisme gerelateerd bedrogen door de groep waarvan de eisende partij in de zaak waarin verzoeker gedaagde partij is mede bestuurder is, waardoor het ernstig waant in de feiten en/of omstandigheden in verband met de (geschiedenis van de) Tweede Wereldoorlog, de Jodenvervolging van 1940 - 1945, Zionisme, Jodendom en Joden, de actualiteit en daarmee de standpunten van verzoeker.

Ten gevolge van dit door bedreiging en/of bedrog afgedwongen (grote) risico van ontkenning of wegkijken door de rechter bestaat in alle redelijkheid de kans dat de rechter ondanks de duidelijke ontkenning door verzoeker van hetgeen de eisende partij stelt, op 4 september 2017 confabulerend of wanend mogelijkheid drie uit de brief van de rechtbank van 21 augustus 2017 toepast en (zonder comparitie of verdere stukkenwisseling) direct vonnis wijst in het voordeel van de eisende partij omdat de rechter door de bedreigingen en/of het bedrog dom, doof en blind is gemaakt voor de stellingen van verzoeker en daarvan geen kennis neemt.

Door de bedreigingen en/of het bedrog bestaat het risico dat de rechter de ontkenning van de stellingen van de eisende partij door verzoeker ontgaat (niet ziet, ervan geen kennis neemt) of de ontkenning als erkenning begrijpt, en 4 september 2017 ongegrond in het voordeel van de eisende partij beslist.

2.4

Als derde grond voor wraking heeft verzoeker aangevoerd dat de rechtbank Amsterdam verzoeker reeds twee keer heeft benadeeld door hem geen eerlijk proces te gunnen in zaken waarin en omstandigheden aan de orde waren die in de onderhavige zaak ook aan de orde zijn. Verzoeker verwijst naar rechtspraak (ECLI:NL:RBAMS:2011:BU7305 en ECLI:NL:RBAMS:2013: BZ8977). De rechtbank is eerder bedreigd door leden van de groep van de eisende partij met “dire consequences” en “organizations that will see to it that there are consequences” om gelijk te krijgen. In alle redelijkheid kan niet van verzoeker verwacht worden dat hij een derde keer er wel op vertrouwt dat de rechtbank Amsterdam eerlijk en onafhankelijk rechtspreekt in een zaak waarin de facto dezelfde Nazifeiten van (de groep van) de eisende partij aan de orde zijn. De ervaring leert dat verzoeker bij en tijdens openbare zittingen keer op keer kan praten als Brugman over de Nazifeiten van de (groep van de) eisende partij en dat de rechtspraak door de bedreigingen en het bedrog inderdaad dom, doof en blind is gemaakt voor de feiten. Door deze bedreigingen en het bedrog zien magistraten de feiten en omstandigheden niet of niet goed of reageren zij daarop confabulerend of wanend en beslissen zij in voordeel van criminelen die met terroristisch oogmerk een ieder onder druk zetten om te overheersen. Dit heeft reeds grote negatieve gevolgen gehad voor de kwaliteit van de rechtspraak en voor verzoeker persoonlijk. Door de bedreigingen en het bedrog wanen veel mensen dat verzoeker een antisemiet is of Joden haat zoals de eisende partij stelt. Voorts hebben de bedreigingen en het bedrog voorkomen dat zware door betrokkenen bij de groep van de eisende partij begane misdrijven niet zijn vervolgd, zoals misdrijven tegen de veiligheid van de Staat en bondgenoten en (voorbereiden van) internationale misdrijven. De bedreigingen zijn ernstig, verstrekkend en vast onderdeel van beleid en strategie van de groep van de eisende partij. Doorvoeren van vergaande beperkingen op vrije meningsuiting en bruut geweld om verzet tegen de mening van de eisende partij neer te slaan is standaard werkwijze/procedure van de organisatie waarvan de eisende partij (mede)bestuurder is om te voorkomen dat de criminele activiteiten van de groep of van leden van deze groep ontmaskerd en/of verhinderd worden.

2.5

De rechter had volgens verzoeker de schijn van partijdigheid kunnen vermijden door mogelijkheid drie in de brief van 21 augustus 2017 niet op te nemen en daarmee aan te geven 4 september 2017 uitsluitend te beslissen over de mogelijkheid van comparitie of verdere stukkenwisseling. Dit levert alleen uitstel van het moment van indienen van het wrakingsverzoek. In theorie kan de rechter de schijn van partijdigheid ook vermijden door aangifte te doen in verband met de bedreigingen en het bedrog en partijen daarvan in kennis te stellen, alleen dit is in redelijkheid niet te verwachten omdat elke erkenning door magistraten van de bedreigingen of het bedrog in een openbare rechtszaak als onderhavige het grote risico met zich meebrengt dat de bedreigingen ten uitvoer gelegd worden.

Gronden van de beslissing

2.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

2.2

Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.3

Uit de wet en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.

2.4

De aanleiding voor de wraking is naar verzoeker stelt de mogelijkheid dat de rechter op 4 september 2017 direct vonnis kan wijzen als vermeld in de brief van de griffier van 21 augustus 2017. Verzoeker meent dat die mogelijkheid ten onrechte in de brief is opgenomen en vanwege de door hem gestelde feiten en omstandigheden in alle redelijkheid de kans bestaat dat de rechter direct vonnis wijst. Als reden voert verzoeker aan dat de rechter door de bedreigingen en het bedrog als hiervoor vermeld onder 2.2 en 2.3 doof is voor de stellingen van verzoeker en daarvan geen kennis neemt.

2.5

De wrakingskamer overweegt dat het enkel vermelden van een aantal mogelijkheden in een brief op welke wijze de behandeling van de zaak zal kunnen worden voortgezet, niet kan worden beschouwd als een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Hetgeen door verzoeker daartoe is aangevoerd dat de rechter terrorisme gerelateerd wordt bedreigd en bedrogen wordt onderbouwd met argumenten die voor ieder weldenkend mens volstrekt onzinnig zijn. De eerste twee wrakingsgronden treffen geen doel

2.6

Dat de rechtbank Amsterdam verzoeker reeds twee keer heeft benadeeld door hem geen eerlijk proces te gunnen in zaken waarin omstandigheden aan de orde waren die in de onderhavige zaak ook aan de orde zijn, kan niet worden gerekend tot de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het gaat daarbij immers niet om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter die de zaak behandelt. De derde wrakingsgrond treft evenmin doel.

2.7

Nu reeds aanstonds geen feiten of omstandigheden kunnen worden vastgesteld waaruit eventuele vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan blijken, dient het verzoek direct als kennelijk ongegrond te worden afgewezen. Een mondelinge behandeling kan dan ook achterwege blijven.

2.8

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn er termen te bepalen dat verdere wrakingsverzoeken van verzoeker, in deze zaak, niet in behandeling zullen worden genomen. Uit de aard, de inhoud en de woordkeuze van de objectieve wrakingsgronden, als in het verzoek omschreven, trekt de wrakingskamer de conclusie dat verzoeker, met zijn verzoek geen rechtens relevante bedoelingen nastreeft, maar slechts het oogmerk heeft een effectieve rechtsgang te belemmeren door op voorhand en zonder concrete op de rechter toegespitste feiten en omstandigheden, haar onpartijdigheid (en blijkens bewoordingen in het verzoekschrift die van elke Nederlandse rechter) in twijfel te trekken. Het op die grond wraken van de rechter dient te worden beschouwd als misbruik in de zin van art. 39 lid 4 Rv.

3. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing

BESLISSING

De rechtbank:

? wijst het verzoek tot wraking als kennelijk ongegrond af;

? bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking gericht tegen een rechter belast met de behandeling van de zaak van verzoeker niet meer in behandeling zal worden genomen;

? bepaalt dat de procedure geregistreerd onder zaaknummer 6085834 / CV EXPL 17-14183 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter A.W.J. Ros en A.J. Dondorp, leden, in aanwezigheid van F.C.H. Krieger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.