Europees strafrecht

EAB Polen ter vervolging - artikel 47 Handvest - detentieomstandigheden - overlevering toegestaan

Rechtbank Amsterdam, 26 april 2022

Zaakgegevens

Op 26 april 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 april 2022
Datum publicatie
31 mei 2022
Zaaknummer
13/752380-21
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2022:2945
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

EAB Polen ter vervolging - artikel 47 Handvest - detentieomstandigheden - overlevering toegestaan

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752380-21

RK nummer: 21/6722

Datum uitspraak: 26 april 2022

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 december 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 oktober 2021 door the Regional Court in Przemysl (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres]

gedetineerd [detentieplaats]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 1 februari 2022

De vordering is behandeld op de openbare zitting en het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. Mcgivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek ter zitting is geschorst in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) naar aanleiding van de verwijzingsbeslissing van de rechtbank van 14 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5051.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd. Ook heeft zij de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor 60 dagen verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om de hiervoor genoemde uitspraak van het HvJ EU af te wachten en zij daarom nog niet over de verzochte overlevering kan beslissen.

Zitting 12 april 2022

De behandeling van de vordering is hervat en het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een enforcable detention order of the regional Court in Jaroslaw from the day 26nd May 2020 year, file number II Kp 157/20.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 14, te weten:

moord en doodslag, zware mishandeling

Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

5 Detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon wordt bedreigd en zij haar leven niet zeker is in een detentie-instelling in Polen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden niet aan overlevering in de weg staan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank hanteert bij de toetsing van het verweer het kader, zoals dat is gegeven door het HvJ EU in het arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Caldararu).

De rechtbank heeft eerder naar aanleiding van overleveringsverzoeken uit Polen de detentieomstandigheden aldaar beoordeeld, waarbij, onder meer in haar uitspraak van 22 oktober 2018 is vastgesteld dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Polen niet blijkt van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Er zijn geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over detentieomstandigheden in Polen door de raadsvrouw naar voren gebracht – of bij de rechtbank ambtshalve bekend – die duiden op een verandering in de situatie. Nu geen algemeen gevaar kan worden vastgesteld, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of een dergelijk gevaar concreet voor de opgeëiste persoon geldt. De stelling dat de opgeëiste persoon haar leven niet zeker is in detentie in Polen, kan daarom niet leiden tot het niet toestaan van de overlevering.

De rechtbank verwerpt het verweer.

6 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van dat grondrecht.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Przemysl (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.


Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. E.G.M.M. van Gessel en J. van Zijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 26 april 2022.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

ECLI:NL:RBAMS:2018:7507 Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 5.1. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).