Europees strafrecht

Executie-EAB Polen. Overlevering geweigerd. Uitspraak na eerdere tussenuitspraak op 24 juni 2026. Artikel 6a…

Rechtbank Amsterdam, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
13-186530-25
Procedure
Tussenuitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10186
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB Polen. Overlevering geweigerd. Uitspraak na eerdere tussenuitspraak op 24 juni 2026. Artikel 6a OLW. Certificaat en een kopie van veroordelend vonnis ontvangen van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank is bevoegd om de overlevering te weigeren onder gelijktijdige overname van de straf en ziet geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-186530-25

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 7 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juni 2024 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] (Polen),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De zitting van 3 juni 2026

Op deze zitting is de behandeling van het EAB aangevangen in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor bepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie in het kader van artikel 6a OLW te verkrijgen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de Poolse autoriteiten.

De zitting van 10 juni 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, en door een tolk in de Poolse taal.

De tussenuitspraak van 24 juni 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en direct geschorst voor onbepaalde tijd in afwachting van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van the Local Court in Koszalin van 16 mei 2023 met kenmerk II K 1521/22.

De rechtbank heeft verder de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd, met gelijktijdige verlenging van de (geschorste) vrijheidsbeneming met dezelfde termijn.

De zitting van 6 augustus 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van de officier van justitie – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, zijn, hoewel rechtsgeldig opgeroepen, met toestemming van de rechtbank niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst teneinde het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen om de aanvullende informatie omtrent de eventuele strafovername uit Polen af te wachten en deze in het dossier te voegen.

De rechtbank heeft verder de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd, nogmaals met gelijktijdige verlenging van de (geschorste) vrijheidsbeneming met dezelfde termijn.

De zitting van 1 oktober 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Tussenuitspraak van 24 juni 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (paragraaf 4) de strafbaarheid van het feit (paragraaf 5) en artikel 11 OLW met betrekking tot de structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde (paragraaf 7). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

4.1

Inleiding

De rechtbank verwijst in dit kader naar haar overwegingen in paragraaf 6 van voormelde tussenuitspraak. Die overwegingen moeten hier eveneens als herhaald en ingelast worden beschouwd. De vraag die de rechtbank nu moet beantwoorden, is of er toestemming is voor overname en tenuitvoerlegging van de straf.

Op 1 september 2026 heeft de rechtbank het certificaat van 1 september 2026 en een kopie van het veroordelende vonnis ontvangen van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland.

4.2

Standpunten van partijen

De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de straf.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is gelet op hetgeen in de inleiding is besproken, bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.

De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

5 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland.

6. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 6a, 7 en 12 van de Overleveringswet.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, voor het feit zoals dat is omgeschreven in onderdeel e) van het EAB.

BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van 24 juni 2026 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland, te weten een vrijheidsstraf van tien maanden waarvan volgens het EAB nog resteren negen maanden en 28 dagen.

HEFT OP de – geschorste – overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .

BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.

Deze uitspraak is gedaan door:

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie artikel 22, vierde lid, OLW. Zie artikel 27, derde lid, OLW Zie artikel 22, vierde lid, OLW. Zie artikel 27, derde lid, OLW Rb. Amsterdam 24 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6508.