Internationaal strafrecht
EOB-klaagschrift strekt tot teruggave van de middels een EOB onderzoek inbeslaggenomen laptop van klager. EOB…
Rechtbank Amsterdam, 23 maart 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:2322 · Rechtbank Amsterdam · 23 maart 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/internationaal-strafrecht/beschikking/ecli-nl-rbams-2023-2322
Zaakgegevens
Op 23 maart 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over internationaal strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 23 maart 2023
- Datum publicatie
- 17 april 2023
- Zaaknummers
- 22/4673, 23/003664
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Internationaal strafrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:2322
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
EOB-klaagschrift strekt tot teruggave van de middels een EOB onderzoek inbeslaggenomen laptop van klager. EOB als EBB ongegrond,
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK nummer: 22/4673; 23/003664
Datum beschikking: 23 maart 2023
BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en het klaagschrift ex artikel 5.5.18 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
domicilie kiezende te Amsterdam aan de [adres 1],
klager.
1 Procesgang
Het klaagschrift is op 1 november 2022 ingediend ter griffie van deze rechtbank (hierna: het EOB-klaagschrift) naar aanleiding van een inbeslagname van een laptop op grond van een Europees onderzoeksbevel (EOB).
Op 9 februari 2023 is namens klager bij de rechtbank Amsterdam ook een klaagschrift ingediend dat ziet op de uitvoering van een Europees bevriezingsbevel (EBB), waarbij er conservatoir beslag is gelegd op een ledger (hierna: het EBB-klaagschrift).
De rechtbank heeft op 9 februari 2023 de klaagschriften behandeld en klager, zijn raadsvrouw, mr. E. de Witte, advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. C.E.J. Backer, in openbare raadkamer gehoord.
2 Inhoud klaagschrift en standpunt klagers
Het ingediende EOB-klaagschrift strekt tot teruggave van de middels een EOB-onderzoek inbeslaggenomen laptop van klager. De laptop werd op 18 oktober 2022 op grond van de artikelen 96c, 125i/125j Wetboek van Strafvordering tijdens de doorzoeking op het kantoor van [naam bedrijf bv] en [naam bedrijf bv] op de [adres 2] inbeslaggenomen. Uit het klaagschrift en de toelichting daarop door de raadsvrouw van klager in raadkamer volgt dat wordt verzocht om teruggave van de laptop omdat het beslag op de laptop onrechtmatig heeft plaatsgevonden. De laptop is immers privé-eigendom van een medewerker van [naam bedrijf bv] die zich niet met [naam cryptocurrancy] bezighoudt. De laptop behoort dus niet toe aan [naam bedrijf bv] of [naam bedrijf bv], terwijl het EOB op die entiteiten is gericht. Om die reden valt de laptop niet onder het bereik van het rechtshulpverzoek en had deze niet in beslag mogen worden genomen. Tevens is door de inbeslagname van de laptop het recht op eigendom van de laptop geschonden, alsmede het recht op eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegeven (de artikelen 17, 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)). Niet is gebleken dat de inperking van deze rechten van klager in overeenstemming met de wet is gebeurd nu klager niet als verdachte is aangemerkt en het rechtshulpverzoek niet tegen hem was gericht.
Met betrekking tot de inbeslaggenomen ledger had de tenuitvoerlegging van het EBB geweigerd moeten worden. De ledger is namelijk privébezit van klager en heeft niets te maken met het Estse onderzoek.
3 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag.
Het EOB dient te worden gerespecteerd en er is in dit geval geen reden de uitvoering ervan te weigeren. De door de raadsvrouw aangevoerde de privacy- en eigendomsredenen dienen er niet toe te leiden dat de inbeslaggenomen laptop wordt geretourneerd aan klager.
Voor wat betreft de ledger is klager niet ontvankelijk in zijn beklag, omdat de ledger onder conservatoir beslag ligt op basis van een EBB en niet op basis van het onderhavige EOB. Het klaagschrift zou zich daar dan ook op moeten richten. Voor zover er een EBB-klaagschrift aan de orde is zal de behandeling hiervan dienen te worden aangehouden.
4 Het oordeel van de rechtbank
De in beslag genomen laptop waarop het EOB-klaagschrift ziet, is vermeld op de lijst van inbeslaggenomen goederen van 18 oktober 2022. De doorzoeking vond plaats met toestemming van de officier van justitie ter uitvoering van een EOB uit Estland met kenmerk EOB-I-2022018739.
De onder conservatoir beslag gelegde ledger waarop het EBB-klaagschrift ziet, is vermeld op de lijst van inbeslaggenomen goederen van 18 oktober 2022 en het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming.
Toetsingskader
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich mee dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is.
Met Verordening (EU) 2018/1805 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna: EBB-Verordening), worden regels gesteld op grond waarvan een lidstaat een door een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat in een strafprocedure gegeven beslissing tot bevriezing op zijn grondgebied erkent en ten uitvoer legt. Ook hiervoor geldt het beginsel van wederzijds erkenning.
Indien een voorwerp wordt veiliggesteld met het oog op bewijsvergaring, dan is het EOB van toepassing. Voor het veiligstellen van een voorwerp met het oog op latere confiscatie is een EBB vereist. Indien een voorwerp tot beide doeleinden moet dienen, wordt algemeen aangenomen dat het EOB moet worden gebruikt als bewijsvergaring het hoofddoel is. Het is aan de uitvaardigende autoriteit om dit te beoordelen en het doel van de bevriezingsmaatregel te verduidelijken.
De EOB-Richtlijn is in de Nederlandse wet geïmplementeerd in de artikelen 5.4.1 Sv tot en met 5.4.31 Sv, de EBB-Verordening in de artikelen 5.5.14 Sv tot en met 5.5.19 Sv.
In (onder meer) zijn arrest van 21 december 2021 heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken op basis van artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet.
Bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift wordt geen onderzoek gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Evenmin wordt de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen getoetst.
Daar staat tegenover dat wel, al dan niet ambtshalve, moet worden beoordeeld of zich – gelet op de artikelen 5.4.3 en 5.4.4 van het Wetboek van Strafvordering – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan, indien aan de orde, ook worden beoordeeld of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. Die beoordeling is overigens beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat aan de rechtbank ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is ten slotte niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Een en ander is, mutatis mutandis, van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van een klaagschrift tegen een EBB. Om die reden zal de rechtbank tevens ambtshalve beoordelen of zich, gelet op artikel 5.5.16 Sv jo. artikel 8, eerste lid, EBB-verordening een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EBB.
Voor zover de ter uitvoering van het EOB inbeslaggenomen voorwerpen gegevensdragers betreffen, is nog van belang dat deze gegevensdragers worden overgedragen aan de uitvaardigende autoriteit. Dat is slechts anders als uit de inhoud van het EOB blijkt of door de uitvaardigende autoriteit is aangegeven dat de overdracht van een kopie volstaat. Daarnaast is het niet aan de rechter die over het klaagschrift oordeelt, om te bepalen dat kopieën van de op inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevens aan klager ter beschikking worden gesteld.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
De in beslag genomen laptop en ledger waarop het klaagschrift ziet, zijn vermeld in het proces-verbaal ‘Verslag doorzoeking in bedrijfspand [adres 2]’ en op de lijst van inbeslaggenomen goederen van 18 oktober 2022. De doorzoeking vond plaats met toestemming van de officier van justitie ter uitvoering van een EOB uit Estland met kenmerk EOB-I-2022018739.
Uit Section G: Grounds for issuing the EIO blijkt, kort gezegd, dat het EOB onder meer op een verdenking van fraude met cryptocurrency, in het bijzonder ‘[naam cryptocurrancy]’, ziet. De verdenking bestaat dat ‘[naam cryptocurrancy]’ de prijs van de cryptocurrency ‘[naam cryptocurrancy]’ alsmede het aantal gebruikers heeft gemanipuleerd teneinde investeringen aan te trekken, alsmede [naam cryptocurrancy] als een levensvatbare cryptomunt te positioneren die onder meer als betaalmiddel kan worden gebruikt of waar winst mee kan worden gegenereerd. Bovendien is er reden om aan te nemen dat het geld dat met de verkoop van [naam cryptocurrancy] is ontvangen, via verschillende bedrijven, door middel van ogenschijnlijke transacties, wordt overgedragen aan de derde partijen die zijn gekoppeld aan onder meer [naam cryptocurrancy] en [naam bedrijf bv] of aan personen behorende tot haar directie- of eigenaren. Via een webpagina, [webpagina], die wordt beheerd door de firma [naam bedrijf bv] kunnen [naam cryptocurrancy] worden verkregen en via dit bedrijf vindt netwerkmarketing van [naam cryptocurrancy] plaats.
Tevens is in Section G het volgende opgenomen:
“The purpose of the search is to find the correspondence, communications and notes of the managers, employees and associated persons of [naam bedrijf bv] dealing with [naam cryptocurrancy], to find databases relating to [naam cryptocurrancy], to find the accounting records of [naam bedrijf bv], to find documents and data of associated companies, to find and seize virtual currency accounts, keys of cryptocurrency wallets and other documents relating to economic activities.”
Ten slotte blijkt uit het klaagschrift dat is ingediend dat klager CEO van [naam bedrijf bv] is.
De Estse autoriteiten hebben voorts een EBB uitgevaardigd dat ziet op [naam bedrijf bv]. Hierin is onder andere het volgende opgenomen:
There are legitimate grounds to believe that the property in question will imminently be removed or destroyed, namely:
Since it is possible to acquire [naam cryptocurrancy] through [naam bedrijf bv] until now and this can be done, among other things, for bitcoins (BTC), there is reason to believe that [naam bedrijf bv]’s crypto wallets may contain BTCs or other freely tradable cryptocurrencies that can be seized for securing the seizure of criminal proceeds. The owner of [naam bedrijf bv] and its beneficiary through [naam bedrijf bv] is [persoon 1]. Since [klager], a member of management board of [naam bedrijf bv], is still in freedom, then there are grounds to believe that on the instructions of the owners of the company [persoon 1] and [persoon 2], suspects in the criminal case, there could be made transfers from [naam bedrijf bv]’s cryptowallets in order to conceal the proceeds of crime.
Investigative or procedural needs in the issuing State, namely:
The criminal proceeds identified so far amount to 146.69776167 BTC, which corresponds to approximately 2,896,107 euros. Failure to seize the proceeds of crime in this denomination may make it impossible to replace the confiscation of the proceeds of crime at a later date. In the present case, all the prerequisites for the seizure of assets are met – there is present a reasonable suspicion of a crime, a basis for the seizure of assets and, in addition, securing a possible future confiscation claim for the 3rd party’s property is proportionate.
Gelet op de informatie van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris een machtiging afgegeven tot het leggen van conservatoir beslag op de ledger. In zoverre dient het beklag tegen het EOB voor wat betreft de ledger niet ontvankelijk te worden verklaard.
De rechtbank heeft voorts kennis kunnen nemen van het EBB dat door de Estse autoriteiten is uitgevaardigd en het klaagschrift met betrekking tot het EBB is op de zitting van 9 februari 2023 besproken. Gelet op het vorenstaande wijst de rechtbank het verzoek van de officier van justitie om de behandeling van het klaagschrift met betrekking tot het EBB aan te houden af.
Ten aanzien van de laptop
Naar het oordeel van de rechtbank doen zich wat betreft het EOB dat is uitgevaardigd geen weigeringsgronden als bedoeld in de artikelen 5.4.3 Sv en 5.4.4 Sv voor.
De inbeslaggenomen laptop betreft bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft en dat bewijsmateriaal beogen de Estse autoriteiten met dit EOB te verkrijgen. Dit goed is dus in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het genoemde Estse strafrechtelijk onderzoek. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of, en in hoeverre, de laptop daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kan bijdragen en evenmin of de inbeslagneming tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Estse autoriteiten. De rechtbank komt gelet hierop niet toe aan een belangenafweging.
Wat betreft het verweer van klager dat de laptop niet rechtmatig in beslag is genomen, overweegt de rechtbank het volgende.
Door klager is niet onderbouwd dat de laptop, als gesteld, privé-eigendom is. De omstandigheid dat de laptop in de bedrijfsruimte van [naam bedrijf bv] en [naam bedrijf bv] is aangetroffen terwijl klager daar op dat moment niet aanwezig was, lijkt bovendien het tegendeel te bewijzen. Het verweer dat de laptop niet aan [naam bedrijf bv] of [naam bedrijf bv] toebehoort en derhalve niet onder het bereik van het rechtshulpverzoek valt, wordt daarom verworpen.
Nu naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan dat de laptop privé-eigendom is van klager, behoeft de gestelde schending van de artikelen 7, 8 en 17 Handvest geen nadere bespreking.
Ten aanzien van de ledger
Naar het oordeel van de rechtbank doen zich wat betreft het EBB dat is uitgevaardigd geen weigeringsgronden voor als bedoeld in artikel 5.5.16 Sv jo. artikel 8, eerste lid, EBB-verordening.
Klager is CEO van [naam bedrijf bv] en de ledger is aangetroffen in de kluis in de bedrijfsruimte van [naam bedrijf bv] aan de [adres 2]. Op de ledger kunnen cryptomunten bewaard worden. Het EBB ziet op bevriezing van ‘property of equivalent value (in the context of value-based confiscation)’, dus op bezittingen gelijk aan de waarde van de “proceeds of crime”.
De stelling dat de ledger privé-eigendom is, is door klager niet onderbouwd. Daarnaast vormt de omstandigheid dat de ledger in de kluis in de bedrijfsruimte van [naam bedrijf bv] en [naam bedrijf bv] is aangetroffen, naar het oordeel van de rechtbank een contra-indicatie voor het gestelde privé-eigendom.
De door de raadsvrouw naar voren gebrachte argumenten kunnen daarom niet leiden tot gegrondverklaring van het beklag namens klager.
5 Beslissing
De rechtbank:
- WIJST AF het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het beklag ten aanzien van het EBB;
- verklaart het beklag ten aanzien van het EOB voor zover dat ziet op de ledger NIET ONTVANKELIJK;
- verklaart het beklag ten aanzien van het EOB voor het overige ONGEGROND;
- verklaart het beklag ten aanzien van het EBB ONGEGROND.
Deze beslissing is op 23 februari 2023 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.G. van der Want griffier.