Internationaal strafrecht

Executie-EAB uit Polen. Afgezien van weigeringsgrond artikel 12 OLW omdat overlevering geen schending van de…

Rechtbank Amsterdam, 29 februari 2024

Zaakgegevens

Op 29 februari 2024 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over internationaal strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
29 februari 2024
Datum publicatie
29 februari 2024
Zaaknummer
13-324762-23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:1140
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB uit Polen. Afgezien van weigeringsgrond artikel 12 OLW omdat overlevering geen schending van de verdedigingsrechten oplevert. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-324762-23

Datum uitspraak: 29 februari 2024

UITSPRAAK

op de vordering van 29 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 4 september 2023 door Sad Okregowy w Krakowie Wydzial III Karny [District Court in Krakow, Third Criminal Division], (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboorte datum] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd [detentie adres]

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 februari 2024, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.A.E. Bunge, advocaat in Heeze en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een judgement issued at Sad Rejonowy w Chrzanowie Wydzial II Karny [Regional Court in Chrzanów Second Criminal Division] on 18 Feb. 2022, which was modified by Sad Okregowy w Krakowie IV Wydzial Karny Odwolawczy [District Court in Krakow, Forth Division of Criminal Appeals] on 2 Feb. 2023, which made it final, met referentie II K 553/21 (IV Ka 873/22).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, twee maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.

Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, nu niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten in Polen heeft kunnen uitoefenen. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, maar dat geldt alleen voor de procedure in eerste aanleg, aangezien de opgeëiste persoon bij de procedure in hoger beroep niet aanwezig is geweest. Verder blijkt niet of de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld in hoger beroep, is niet duidelijk of de in hoger beroep verschenen advocaat was gemachtigd en of deze namens de opgeëiste persoon ook de verdediging heeft gevoerd. Bovendien bestaat onduidelijkheid over het moment waarop de opgeëiste persoon de adresinstructie heeft gehad, zodat niet kan worden gesteld dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Hoewel bij toetsing van het hoger beroep aan artikel 12 OLW geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW, kan van deze weigeringsgrond worden afgezien. Uit de aanvullende informatie kan namelijk weliswaar worden afgeleid dat de oproepingen voor de laatste twee zittingen de opgeëiste persoon niet hebben bereikt, maar dat de oproeping voor de eerste zitting in hoger beroep in persoon aan de opgeëiste persoon betekend, zodat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Aangezien de opgeëiste persoon niet heeft verzocht om bij die behandeling aanwezig te zijn, heeft de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten.

Het oordeel van de rechtbank

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.

De rechtbank stelt vast dat uit de grondslag van het EAB volgt dat de beslissing ten gronde definitief is geworden bij de procedure in hoger beroep, zodat de rechtbank de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW zal toetsen.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.

Uit de aanvullende informatie van 9 en 22 januari 2024 volgt dat de opgeëiste persoon de oproeping voor de eerste zitting van 19 oktober 2023 in persoon heeft ontvangen. De opgeëiste persoon zat toen in detentie en wilde niet naar de zitting komen. Ten aanzien van de overige twee zittingen geldt dat de opgeëiste persoon daarvoor niet in persoon is opgeroepen. Die oproepingen zijn verstuurd naar het adres dat door de opgeëiste persoon is opgegeven bij zijn invrijheidsstelling in hoger beroep en eerder al tijdens zijn verhoor als verdachte in het vooronderzoek. De opgeëiste persoon heeft bij zijn invrijheidsstelling ook een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op zijn verplichting om eventuele adreswijzingen door te geven en de gevolgen van het nalaten daarvan. Door de opgeëiste persoon zijn geen adreswijzingen doorgegeven.

De rechtbank is daarom van oordeel dat als de opgeëiste persoon – die op de hoogte was van de procedure in hoger beroep – al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid, hij dan op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.

4 Strafbaarheid

4.1

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het onder 1 in het EAB opgenomen strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.


Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het onder 1 genoemde feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het onder 2 in het EAB opgenomen feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

witwassen.

5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 420bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [naam opgeëiste persoon] aan de Sad Okregowy w Krakowie Wydzial III Karny [District Court in Krakow, Third Criminal Division], voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,

mrs. E. Biçer en A.W.T. Klappe, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 februari 2024.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).