Internationaal strafrecht
Vervolgings-EAB uit Duitsland. Art 2; genoegzaamheidsverweer verworpen. Art 6 OLW: stukken ter onderbouwing…
Rechtbank Amsterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10364 · Rechtbank Amsterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/internationaal-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-10364
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over internationaal strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-226595-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Internationaal strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10364
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervolgings-EAB uit Duitsland. Art 2; genoegzaamheidsverweer verworpen. Art 6 OLW: stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer zijn te laat ingediend en het verweer wordt buiten beschouwing gelaten. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien de stukken wel tijdig waren ingediend, de opgeeiste persoon op basis van die stukken niet gelijkgesteld kon worden. Overlevering toestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-226595-26
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 26 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juli 2025 door het Kantongerecht Trier, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
met als feitelijk verblijfsadres:
[feitelijk verblijfsadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Kantongerecht Trier van 25 april 2025, dossiernummer: 35a Gs 1505/25.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is.
Uit de feitsomschrijving blijkt dat de opgeëiste persoon onderdeel zou zijn van een groep die zich bezighield met oplichting. Vervolgens wordt slechts één concreet geval genoemd waarbij hij betrokken zou zijn. In een uitspraak van de rechtbank van 9 september 2026 achtte de rechtbank het EAB in die zaak genoegzaam, maar de rol van de opgeëiste persoon de “middleman” was in dat EAB duidelijk. In het onderhavige geval blijkt de rol van de opgeëiste persoon niet duidelijk en is de feitsomschrijving te mager.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Uit de feitsomschrijving blijkt een tijd en een plaats van de verdenking en ook de rol van de opgeëiste persoon is voldoende duidelijk omschreven, namelijk als mededader van een groepering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank is van oordeel dat het EAB in deze zaak genoegzaam is. Zij licht dat toe.
Uit de feitomschrijving in het EAB volgt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van oplichting in groepsverband gepleegd op 8 augustus 2024 te Wittich. De rol van de opgeëiste persoon blijkt uit het bij het EAB behorende A-formulier, te weten mededader.
Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd voor een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, zal later in Duitsland moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd.
4 Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting
Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
5 Gelijkstelling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Verzoek van de raadsman
De advocaat heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Op die manier kan de opgeëiste persoon de straf in Nederland ondergaan als hij in Duitsland wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverzoek te laat zijn ingediend en dat het verweer om die reden buiten beschouwing moet worden gelaten. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon onvoldoende heeft onderbouwd dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, zodat niet is voldaan aan het eerste vereiste voor gelijkstelling.
Oordeel van de rechtbank
In de overzichtsuitspraak van 26 mei 2026 heeft de rechtbank over het aanleveren van gelijkstellingsstukken het volgende overwogen.
“De bewijstukken moeten tijdig voorafgaand aan de zitting worden overgelegd. De rechtbank en de officier van justitie hebben op die manier tijd om de stukken te bestuderen, en het geeft de officier van justitie bovendien de gelegenheid om vragen te stellen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet het recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel. (…)
De rechtbank is van oordeel dat stukken die tien dagen voor de zitting zijn ingediend in ieder geval tijdig zijn. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kán ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat.
De stukken moeten verder voorzien zijn van een duidelijke leeswijzer en conclusies ten aanzien van het verblijf van de opgeëiste persoon en de rechtmatigheid daarvan per jaar. Het is immers aan de opgeëiste persoon om te onderbouwen dat hij met een Nederlander gelijkgesteld kan worden. Het ongeordend en zonder leeswijzer en conclusies opsturen van willekeurige stukken kan er ook toe leiden dat de stukken buiten beschouwing worden gelaten. Het is niet aan de rechtbank om zelf het verweer te destilleren en te formuleren uit de stukken. In een enkel uitzonderlijk geval is de advocaat van de opgeëiste persoon in de gelegenheid gesteld om alsnog een geordend en gemotiveerd verweer in te dienen, maar de rechtbank hanteert dus als uitgangspunt dat het gelijkstellingsverweer in zijn geheel tijdig, geordend en gemotiveerd wordt ingediend.
Kortom, een geordend en gemotiveerd gelijkstellingsverweer dat tien dagen voor de zitting is ingediend, is in ieder geval tijdig ingediend. Een gelijkstellingsverweer dat binnen tien dagen voor de zitting is ingediend, kán tijdig zijn afhankelijk van de omvang, overzichtelijkheid en onderbouwing. Een gelijkstellingsverweer dat weliswaar tien dagen voor de zitting is ingediend, maar ongeordend en zonder leeswijzer, onderbouwing of toelichting is ingediend, kán door de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten.”
De rechtbank stelt vast dat het grootste deel van de stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer, 84 pagina’s, op 1 oktober 2026 en dus zes dagen voor de zitting is ontvangen. Deze stukken zijn niet voorzien van een duidelijke leeswijzer, een toelichting en conclusies ten aanzien van het verblijf van de opgeëiste persoon en de rechtmatigheid daarvan per jaar. De toelichting is pas op de zitting van 7 oktober 2026 gegeven. Bovendien zijn er kort voor de aanvang van de behandeling van de zaak nog aanvullende stukken door de raadsman verstrekt.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer te laat ingediend. De rechtbank zal de stukken dan ook buiten beschouwing verlaten en het beroep op gelijkstelling dan ook afwijzen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat als de stukken wel tijdig waren ingediend, het verzoek niet tot een gelijkstelling zou hebben geleid.
De opgeëiste persoon stond 2020 niet in Nederland in de Basisregistratie personen ingeschreven. Op 24 augustus 2021 stond hij voor het eerst ingeschreven op een Nederlands adres. Op basis van de door de raadsman overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon met [naam] in de jaren 2020, 2021 en 2022 een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Het inkomen van [naam] kan voor die jaren dan ook niet meegeteld worden voor de beoordeling of de opgeëiste persoon voldoet aan het inkomstenvereiste. Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in 2021 minder dan 50% van de bijstandsnorm heeft verdiend. Reeds om die reden is niet aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.
6 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
7 Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Kantongerecht Trier, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.