Materieel strafrecht
Beslissing artikel 552a Sv, ongegrond
Rechtbank Amsterdam, 13 mei 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6268 · Rechtbank Amsterdam · 13 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-6268
Zaakgegevens
Op 13 mei 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 mei 2026
- Datum publicatie
- 19 juni 2026
- Zaaknummer
- 26-005837
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6268
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beslissing artikel 552a Sv, ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer: 26-005837
datum: 13 mei 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager, tevens beslagene] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E.G.S. Roethof;
[adres] ,
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv blijkt dat op 7 februari 2026 in het strafrechtelijk onderzoek tegen klager in beslag zijn genomen: een geldbedrag van € 595,- en een geldbedrag van £ 5,- (goednummers 6772080 en 6772085) (hierna: de geldbedragen).
Procedure
Het klaagschrift is op 26 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 13 mei 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. E.G.S. Roethof, en de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, op zitting gehoord.
Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten € 575,- en £ 5,-.
Namens klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Door de politie is beschreven dat zij één drugsdeal hebben waargenomen. Zij hebben niet gezien dat er daadwerkelijk geld is overhandigd, maar door de koper is verklaard dat hij € 20,- aan klager heeft betaald. Klager ontkent de beschuldiging. Het resterende deel van de geldbedragen dient aan klager te worden teruggegeven. Klager beschikt over legale inkomsten en de geldbedragen zijn niet afkomstig van misdrijf. Het is hoogst waarschijnlijk dat de geldbedragen zullen worden verbeurd verklaard.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie zal vorderen dat de geldbedragen zullen worden verbeurd verklaard.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van dat voorwerp zal bevelen.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
Klager wordt verdacht van het dealen van harddrugs. Door de politie is een drugstransactie gezien en bij de koper zijn twee bolletjes aangetroffen. Hij heeft verklaard dat hij hiervoor € 20,- aan klager heeft betaald. Bij klager zijn zes bolletjes en twee geldbedragen van € 595,- en £ 5,- aangetroffen. Klager ontvangt een daklozenuitkering. Onder deze omstandigheden is onvoldoende duidelijk geworden dat de geldbedragen afkomstig zijn uit legale middelen. De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen geldbedragen zal verbeurd verklaren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.A. Overbosch, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank: voor klager binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing en voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van de beslissing.