Strafrecht overig
klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994, gegrond
Rechtbank Amsterdam, 26 januari 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:1580 · Rechtbank Amsterdam · 26 januari 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2022-1580
Zaakgegevens
Op 26 januari 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 januari 2022
- Datum publicatie
- 29 maart 2022
- Zaaknummer
- RK 22/230
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1580
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994, gegrond
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 96/332972-21
RK: 22/230
Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van:
[klager]
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats]
wonende op het adres [adres]
klager.
1 De procesgang
Het klaagschrift is op 14 januari 2022 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.
Klager en de officier van justitie hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling van de zaak. Er heeft geen behandeling in openbare raadkamer plaatsgevonden.
2 De inhoud van het klaagschrift
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.
Klager heeft in zijn klaagschrift opgenomen dat hij erkent dat hij een domme fout heeft begaan. Daarnaast heeft hij in zijn klaagschrift betoogd zijn rijbewijs dringend nodig te hebben voor zijn werk en – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Hij werkt als [functie] bij [werkgever] . Voor dit werk is eigen vervoer van groot belang en heeft klager zijn rijbewijs nodig, omdat hij continu moet rijden en meerdere keren per dag batterijen van deelscooters moet vervoeren en vervangen en scooters die beschadigd zijn, moet ophalen. Als klager niet kan werken, dan krijgt hij niet betaald. Klager heeft verzocht het rijbewijs aan hem terug te geven.
3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat een rechter in dit geval, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal opleggen langer dan de tijd gedurende die het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest. Het klaagschrift kan daarom gegrond worden verklaard.
4 De beoordeling
Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8 lid 2 WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 10 december 2021.
Het proces-verbaal houdt onder meer in dat de uitslag van het bij klager afgenomen ademonderzoek 795 µg/l (microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) bedroeg.
Op 10 december 2021 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd.
Op 13 december 2021 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs uiterlijk – zes maanden – tot 8 juni 2022 wordt ingehouden.
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 22 december 2021 blijkt onder meer dat klager niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Het is nog onbekend wanneer de strafzaak tegen klager behandeld zal worden.
5 De beslissing
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig, omdat het vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van klager hoger was dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht en niet is gebleken dat de officier van justitie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
Ondanks de ernst van het feit waarvan klager wordt verdacht, moet – gelet op de persoonlijke omstandigheden van klager – ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, korter dan de tijd die het rijbewijs ingevorderd en ingehouden zal zijn geweest. Het beklag dient dan ook gegrond te worden verklaard.
De rechtbank verklaart het beklag gegrond.
De rechtbank gelast de teruggave van het rijbewijs aan klager.
Deze beslissing is gegeven op 26 januari 2022 door
mr. D. van den Brink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier.
Tegen deze beslissing staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking.