Strafrecht overig

4 jaren gevangenisstraf voor 312, 317 en 326 Sr. Juweliers en wijnhandelaar op een professionele en…

Rechtbank Amsterdam, 26 februari 2015

Zaakgegevens

Op 26 februari 2015 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 februari 2015
Datum publicatie
3 april 2015
Zaaknummer
13/669083-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2015:1930
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

4 jaren gevangenisstraf voor 312, 317 en 326 Sr. Juweliers en wijnhandelaar op een professionele en geraffineerde wijze door een internationaal opererende groep personen geld bestolen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/669083-14

Datum uitspraak: 26 februari 2015 (Promis)

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedag 1] 1977,

zonder vaste woon-of verblijfplaats in Nederland,

postadres: [adres, te plaats] Frankrijk

thans gedetineerd in het [detentie adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. G. Spong naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 19 september 2013 te Amsterdam, op het [straat 1], in elk geval op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas met een hoeveelheid juwelen (ter waarde van 260.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of zijn mededader(s) die tas heeft/hebben vastgegrepen en/of met kracht heeft/hebben losgetrokken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 12 oktober 2013 te Amsterdam, op het [straat 2], in elk geval op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid sieraden (ter waarde van 29.131 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [aangever 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of tegen die [aangever 2] heeft/hebben gezegd dat hij de juwelen moest geven.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde,

Hij in of omstreeks de periode vanaf 1 september 2013 tot en met 23 oktober 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 3] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van 60.000 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

die [aangever 3] benaderd dat hij/zij een Russische klant had(den) die wijnen wilde kopen en/of

zich voorgedaan als potentiële koper van een hoeveelheid wijn (ter waarde van 200.000 euro) en/of

afgesproken dat die [aangever 3] 60.000 euro aan verdachte en/of zijn mededader(s) zou overhandigen en als garantie 80.000 Zwitserse frank en 130.000 euro in retour zou ontvangen en/of

dat na de verkoop van de wijn verdachte en/of zijn mededader(s) 60.000 euro naar die [aangever 3] zou(den) overmaken en/of

dat [aangever 3] de 80.000 Zwitserse frank zou retourneren waarna verdachte en/of zijn mededader(s) die [aangever 3] een zwarte zak met geld heeft/hebben getoond en/of

die [aangever 3] enkele biljetten op echtheid laten controleren en/of

die [aangever 3] in ruil voor 60.000 euro een zak met vals geld overhandigd, waardoor die [aangever 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar zijn schriftelijk requisitoir, dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

Voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat de ten laste gelegde periode kan worden beperkt tot 23 oktober 2013, nu een deel van de ten laste gelegde handelingen zich in het buitenland heeft afgespeeld.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd, onder verwijzing naar zijn pleitnotities, dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten niet kunnen worden bewezen en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

De standpunten van de verdediging worden hierna in rubriek 4.3.2. besproken.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

Op 19 september 2013 heeft aangever [aangever 1], wonende te Duitsland, verkoper en ontwerper van juwelen, aangifte gedaan van een op het [straat 1] te Amsterdam gepleegde overval .

Ik kreeg ongeveer 3 weken geleden een telefoontje en e-mails van een persoon die mij vertelde dat zijn baas geïnteresseerd was om mijn juwelen te verkopen. Zij wilden met mij afspreken in Amsterdam en mailden mij het adres van het [hotel 1]. We zouden daar om 13.00 uur afspreken, maar een man belde mij vanmorgen dat zij iets later zouden zijn. Ik heb gewacht in de lobby van het [hotel 1] te Amsterdam. Om 13.30 uur kwamen twee mannen en een vrouw.

Een man was ongeveer 40 jaar, ongeschoren maar wel verzorgd. De man leek mediterraans. Hij was goed gekleed, blauwe jas en broek, ongeveer 180 cm, kort donker haar, een smal gezicht met donkere ogen en een getinte huidskleur. Hij noemde zich [naam 1]. Ik noem hem NN1. Hij was de leider.

De andere man was iets ouder, ongeveer 45 jaar, zwart pak met een wit overhemd. Hij was ook mediterraans en had donker haar. Het was langer dan NN1. Hij had een verzorgd uiterlijk, echt een zakelijke uitstraling, ongeveer 173 cm. Hij was getint, maar lichter dan NN1. Hij had iets Russisch. Ik noem hem NN2.

De personen spraken onderling Frans met elkaar. Het gesprek tussen mij en de mannen ging in het Italiaans. Ze vroegen of ik juwelen mee had, maar die wilde ik niet in de lobby laten zien. We zijn toen naar het [hotel 2] gegaan. Ik denk dat we rond 14.15 uur bij het [hotel 1] weg zijn gegaan. Om ongeveer 14.30 – 14.45 uur waren we bij het [hotel 2]. We zijn daar naar een conferentiezaal op de 4e etage gegaan. Ik had twee koffers mee met juwelen en heb alles laten zien. We hebben toen een lijst gemaakt met waar zij interesse in hadden, zodat zij ook aan het eind wisten wat de kosten waren. Midden in het gesprek gingen NN2 en de vrouw weg. Ik ging door met NN1 met het maken van een selectie en deed de juwelen waar hij interesse in had apart in een tas.

NN2 had ondertussen gebeld en gaf aan dat het nog even kon duren, omdat het druk was in het verkeer. NN1 en ik zijn beneden in de lobby gaan zitten. NN1 was steeds aan de telefoon met NN2. Op een gegeven moment zijn we naar buiten gegaan, want NN2 zou zo komen. NN1 wilde buiten wachten omdat hij haast had. Hij had namelijk nog een afspraak. Na ongeveer 5 minuten kwam NN2 in een groene Opel Omega aanrijden.

NN1 opende de passagiersdeur aan de voorzijde, leunde iets naar binnen en sprak met NN2. Het ging toen allemaal heel snel. NN1 greep mijn tas vast. Ik had de tas strak onder mijn rechterarm vast en ik voelde dat de tas met grote kracht onder mijn arm werd weggetrokken. NN1 sprong in de auto met de tas vast. Op dat moment merkte ik dat de auto met vaart optrok. Ik greep NN1 vast, maar ik voelde dat ik mee werd meegetrokken omdat de auto ging rijden. Ik viel naast de auto omdat ik de man niet meer vast kon houden.

Er is in totaal voor 260.000 euro aan juwelen weggenomen. Dat weet ik doordat we samen een lijst hebben gemaakt met welke juwelen ze wilden hebben.

Na de aangifte is [aangever 1] naar de telefoonnummers van verdachte gevraagd, waarmee hij telefonisch contact heeft gehad. Hij is op 19 september 2013 gebeld door [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. Zijn telefoonnummer is [telefoonnummer 3]. Op dit nummer is hij ook in Amsterdam gebeld.

Van deze telefoonnummers zijn de historische verkeersgegevens gevorderd en geanalyseerd. De telefoons van de verdachten met telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] peilden om respectievelijk 13.30 uur en 14.03 uur uit nabij het [hotel 1] te Amsterdam. Vanaf 15.30 tot 17.43 uur peilde de telefoon van met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] uit nabij het [hotel 2].

Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] had op 19 september 2013 ook meerdere malen telefonisch contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 4], welk telefoonnummer in zaak 2 (de rechtbank begrijpt: de afpersing van aangever [aangever 2]) door de verdachte, genaamd [naam 2], is gebruikt.

Een proces-verbaal van bevindingen van “Uitkijken camerabeelden” .

Foto 1: 13:30:20 (hotel [hotel 1] Amsterdam – Cam 1 hoofdingang)

Twee mannen en een vrouw, de latere verdachten NN1, NN2, en NN3, lopen de hoofdingang van het hotel binnen.

NN1: Blanke getinte huidskleur, 25-35 jaar, normaal postuur donkerkleurig pak, wit overhemd, wit pochet in linker borstzak, zwarte schoenen.

NN3: Blanke licht getinte huidskleur, 30-40 jaar, normaal postuur, donkergekleurd jasje, wit overhemd, spijkerbroek, zwarte schoenen.

Foto 5: 13:31:21 (hotel [hotel 1] Amsterdam – Cam 4 zitgedeelte)

NN1 wordt gevolgd door [aangever 1], NN3 en NN2. [aangever 1] heeft een trolley bij zich. Het viertal neemt plaats in een zithoek en gaat met elkaar in gesprek.

Foto 11: 14:44:13 ([hotel 2] – receptie)

[aangever 1] en NN3 komen het hotel binnen. Beide hebben een trolley met zwarte tassen erop in de hand. De trolleys worden naast NN1 en NN2 gezet, waarna [aangever 1] en NN3 zich melden bij de receptie.

Foto 13: 14:49:52 ([hotel 2] – conferentieruimte)

Het viertal komt uit de lift en loopt vervolgens naar de Conferentieruimte. De receptiemedewerkster maakt de deur open. Het viertal gaat de ruimte binnen. Tevens zijn de verdachten op foto 14 (14:49:56) en 15 (14:50:05) afgebeeld.

Foto 16: 15:23:56 ([hotel 2] – conferentieruimte)

NN2 komt uit de conferentieruimte. Zij wordt kort gevolgd door NN1. NN3 loopt achter hen aan, spreekt met hen bij de lift en loopt terug de conferentieruimte binnen.

Foto 17: 17:50:41 ([hotel 2] – entree)

Na enige tijd verlaten [aangever 1] en NN3 het hotel (17:44:07 uur). Ze staan op het trottoir voor het hotel. Om 17:50:41 uur komt een zwart of donkergroene Opel Omega met gele kentekenplaat aangereden. Op aanwijzing van NN3 stopt de Opel Omega naast het hotel, buiten het zicht van de camera, op de Nicolaas Witsenkade. De eerste zijstraat rechts is de Huidenkoperstraat.

Foto 17 t/m 21: (H V – buiten links en rechts)

Vanuit de Huidenkoperstraat rijdt de Opel Omega met hoge snelheid de Weteringschans op. Even later rent [aangever 1] ook de Huidenkoperstraat uit, komende uit de richting van de Nicolaas Witsenkade. [aangever 1] loopt vervolgens terug naar het [hotel 2].

Op 12 oktober 2013 heeft aangever [aangever 2], wonende te Spanje, verkoper van juwelen, aangifte gedaan van een op het [straat 2] te Amsterdam gepleegde overval .

Ongeveer 3 weken geleden werd mijn vrouw gebeld door een man die juwelen wilde kopen. Hij belde 2 weken geleden weer. De man vertelde dat hij [naam 2] heet en dat hij tussenhandelaar was. Hij had een Russische klant waar hij juwelen voor moest regelen en we hebben uiteindelijk de afspraak gemaakt om naar Amsterdam te komen.

Het contact tussen [naam 2] en mij is via de telefoon gegaan. Het mailadres dat hij gebruikte was [naam 2]@yahoo.com en hij belde mij met telefoonnummer [telefoonnummer 4]. We hebben meerdere keren contact gehad. Op 11 oktober 2013 belde [naam 1] mij. Hij vertelde mij dat hij de vriend was van [naam 2] en dat hij de Russische klant was. [naam 1] vroeg wanneer wij naar Amsterdam kwamen. Gisteravond, vrijdagavond 11 oktober 2013, ben ik met mijn vrouw in Amsterdam aangekomen. Vandaag, 12 oktober 2013, belde [naam 1] weer en hij vroeg of we naar een bar bij hem in de buurt konden komen. Hij stuurde mij het adres. Wij zijn vervolgens met een taxi naar het adres [adres 1] zijn gegaan.

Daar gingen we met [naam 1] aan een tafel zitten en hebben we gesproken over de juwelen. Van te voren had ik met mijn vrouw afgesproken dat zij met haar telefoon een foto zou maken van [naam 1], voor als het fout zou gaan. We vroegen waar [naam 2] was. [naam 1] zei eerst dat die nog kwam, later zei hij dat [naam 2] niet meer zou komen. Hij zei dat er nog iemand moest komen met het geld en dat we straks weer zouden afspreken om de deal te sluiten.

Om ongeveer 13.30 belde [naam 1] mij weer. Hij zei dat het geld er was en dat we weer naar dezelfde bar konden komen aan de [straat 3] in Amsterdam. Wij zijn om 14.13 uur bij de bar aangekomen en zagen [naam 1] op het terras zitten. Vervolgens liepen we met hem naar de auto toe, waar volgens hem zijn vriend in zat met het geld. De auto stond op het [straat 2] en dat was ongeveer 15 meter van de bar waar we waren. Achter de stuur zat een man, ik noem hem NN2. Hij liet een envelop zien met briefjes van 500. NN2 pakte twee 500 euro briefjes en gaf deze aan [naam 1] en die gaf deze aan mij. Mijn vrouw ging om 14.45 uur met de briefjes naar een wisselkantoor op de Dam om te kijken of de briefjes echt waren. Ze waren echt. Vervolgens wilden wij de deal sluiten. [naam 1] wilde dat bij de auto doen en ik liep met mijn vrouw mee naar de auto. Bij de auto gaf NN2 een envelop aan [naam 1] volgens mij. Wij zeiden eerst het geld en [naam 1] zei steeds nee, eerst de juwelen. Vervolgens zag ik dat NN2 een vuurwapen tevoorschijn haalde. [naam 1] zei toen geef mij de juwelen. Ik gaf toen de juwelen, omdat ik schrok. Ik zag dat de auto vervolgens met gierende banden wegreed, waarbij [naam 1] op de bijrijdersstoel sprong met de juwelen in zijn hand.

Ik omschrijf [naam 1] als volgt. Licht getint/Arabische huiskleur. Normaal postuur. Misschien 2 of 3 cm langer dan mij, ik ben 1.78m lang. Hij zei dat hij 41 jaar oud was, zo leek het ook wel. Zwarte bril, zwart kort haar en getrimde baard.

NN2: Licht getint/Arabische huidskleur. Ongeveer 30 jaar oud. Normaal tot iets forser postuur. Baard, donker gekleed.

Mijn vrouw heeft een foto van [naam 1] gemaakt (B 007). Hij heeft 11 juwelen van ons gestolen met een waarde van 29.131 euro

De telefoonnummers zijn (bijlage B 009). [naam 2]: [telefoonnummer 4] en [naam 1]: [telefoonnummer 5].

Van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] zijn de historische verkeersgegevens gevorderd en geanalyseerd. Dit telefoonnummer heeft op 12 oktober 2013 tussen 10:11:42 uur en 15:00:52 uur meerdere malen gebeld met het telefoonnummer [telefoonnummer 5]. Dit betrof zowel in- als uitgaande gesprekken. De telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] peilde op voornoemde tijdstippen uit te Amsterdam in de omgeving van de [straat 3], alwaar de overval had plaatsgevonden.

Het telefoonnummer [telefoonnummer 4] had op 12 oktober 2013 ook meerdere malen telefonisch contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 6], welk telefoonnummer door een verdachte in zaak 3 (de rechtbank begrijpt: de oplichting van [aangever 3]) is gebruikt.

Van het telefoonnummer [telefoonnummer 5] zijn de historische printgegevens gevorderd en geanalyseerd. Dit telefoonnummer is onder meer gebruikt op 12 oktober 2013 tussen 9:59:29 uur en 16:36:56 uur en heeft contact gehad met de volgende telefoonnummers:

  • Het mobiele nummer [telefoonnummer 4] van de verdachte die zich [naam 2] noemde;

  • Het mobiele nummer [telefoonnummer 7] in gebruik bij aangever [aangever 2];

  • Het mobiele nummer [telefoonnummer 6] gebruikt door een verdachte in genoemde zaak 3.

Het telefoonnummer [telefoonnummer 5] straalde tussen 10:12 uur en 14:57 uur aan in Amsterdam en de mastlocaties liggen ter hoogte van het [straat 2],

Van het telefoonnummer van aangever [aangever 2] [telefoonnummer 7] zijn de historische verkeersgegevens gevorderd en geanalyseerd. Dit telefoonnummer heeft op 12 oktober 2013 tussen 8:03:52 uur en 16:58:47 uur meerdere malen gebeld met het telefoonnummer van de verdachte die zich voorstelde als [naam 2]: [telefoonnummer 4]. Dit betrof zowel in- als uitgaande gesprekken.

De verklaring van aangever [aangever 2] wordt ondersteund door de verklaring van zijn vrouw [vrouw van aangever 2]. Zij heeft de foto van [naam 1] gemaakt.

Een proces-verbaal van bevindingen van “Fotoherkenning” .

Op deze foto is de dader van onderzoek 13Mirabel, genaamd [naam 1], goed te zien.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb op 18 oktober 2013 de zwart-wit foto’s, genummerd 1 tot en met 6, afkomstig van zaak [nummer 1] gezien. In die zaak was ook een juwelenhandelaar het slachtoffer van een overval. De aangever in die zaak had in het [hotel 2] afgesproken met een zogenaamde koper, die zelfzelf [naam 1] noemde.

  • Op foto 2 is de aangever te zien voor de deur van een conferentiezaal. Achter hem, voor de hoek, staat de dader genaamd [naam 1], gekleed in een spijkerbroek, wit overhemd en donker gekleurd colbert. Hij draagt een bril met een zwart montuur. Achter deze [naam 1] staat een vrouw, vermoedelijk een werkneemster van het hotel, die de deur van de conferentiezaal moet openen;

  • Op foto 3 is de aangever te zien voor de deur van de conferentiezaal, met naast hem die vrouw die vermoedelijk de deur aan het openen is. In de hoek is de achterkant van de eerder genoemde [naam 1] te zien. Links naast hem is de tweede dader te zien. Een man gekleed in een donkergekleurd pak met wit pochet. Achter deze man is de vrouw te zien, die ook omschreven is in de aangifte;

  • Op foto 6 is de eerder genoemde [naam 1] te zien, ditmaal zonder colbert, die vermoedelijk uit de conferentiezaal is gelopen.

Direct bij het zien van de foto’s sloeg ik aan op de man genoemd [naam 1] en herkende hem als zijnde de [naam 1] van zaak 13Mirabel. Ik zag dat de man van foto 2 en 6 met de bril en door de aangever omschreven als [naam 1] lijkt op de genoemde [naam 1] van 13Mirabel. De vorm van het gezicht, de vorm van de neus, de haardracht en de bril zijn gelijkend.

Het onderzoek in zaak 2 met aangever [aangever 2] is gestart met de onderzoeksnaam 13Mirabel en is later, met de zaken 1 en 3, voortgezet onder de naam 13Perzie.

Op 23 oktober 2013 heeft aangever [aangever 3], wonende te Portugal, verkoper van rode wijnen, aangifte gedaan van een te Amsterdam gepleegde oplichting .

Ik werk in een familiebedrijf in Portugal en wij verkopen rode wijnen. Ongeveer een maand geleden ben ik gebeld door een man genaamd [naam 2], met nummer [telefoonnummer 6]. Zijn emailadres is [naam 2]@yahoo.com. Hij had een Russische klant, genaamd [naam 1], die geïnteresseerd was in onze wijnen die hij had gezien op onze website. Ze wilden wijn kopen voor een bedrag van 200.000 euro. [naam 2] wilde alle informatie over de wijnen via de mail ontvangen en [naam 1] en [naam 2] hebben mij vaak gebeld.

[naam 1] had niet genoeg geld. Hij had 130.000 euro op de bank, maar hij miste 60.000 euro.

Ik maakte een afspraak met hem. Ik zou hem 60.000 euro geven. Hij zou mij 80.000 Zwitserse franks geven als garantie dat de betaling goed zou gaan. We zouden dan samen naar de bank gaan en de transactie van 180.000 euro doen en dan zou ik hem de 80.0000 Zwitserse franks teruggeven. [naam 1] zou dan later de 60.000 euro overmaken na het verkopen van de wijnen.

We spraken af in Amsterdam. Op 23 oktober 2013 rond 09.00 uur zag ik dat [naam 1] mij 13 keer had gebeld. Hij gaf mij als adres [adres 2] te Amsterdam (noot verbalisant: [adres 2] is café genaamd [café 1]). Op 23 oktober omstreeks 14.15 uur zag ik [naam 1] voor het restaurant staan. Wij stapten het restaurant binnen en namen plaats aan een tafel. We liepen samen naar buiten, langs de winkel op de [straat 3]. [naam 1] vertelde mij dat hij op een vriend wachtte. Ik zag dat er een zwarte Mercedes Benz stilstond op de hoek bij de rotonde. [naam 1] en ik liepen er heen. Hij stelde mij op mijn gemak.

Ik zei, zullen we naar de bank gaan om de geldtransactie te doen. [naam 1] wilde het geld zien, ik zei nee, dat heb ik niet. [naam 1] en ik stonden aan de passagierszijde van de Mercedes. Ik hoorde dat [naam 1] zei tegen de partner in de auto, laat [persoon 1] het geld zien. Ik zag dat de partner een zwarte zak pakte. Hij liet mij de inhoud van de zak zien, maar hield deze vast. Ik zag dat er een pak geld in zat. Hij pakte 2 biljetten uit de zak en gaf deze aan [naam 1]. Daarna liepen we samen terug naar het café, waar ik de biljetten op echtheid controleerde. Het was in orde.

We liepen terug naar de auto. Ik zag dat [naam 1] instapte aan de passagierszijde van de auto. [naam 1] zei in het Spaans tegen zijn partner, geef [persoon 1] het geld. De partner gaf het geld aan [naam 1]. Toen moest ik mijn geld eerst overhandigen aan [naam 1]. Die gaf het aan de partner die mijn euro’s controleerde. Ik hoorde [naam 1] zeggen tegen hem is het goed! Daarna gaf [naam 1] snel het geld met de zwarte zak aan mij en daarna reden ze weg.

Dit ging heel snel voor mij. Ik keek daarna in de zak en zag dat het geld niet echt was. De twee echte biljetten had ik ook alweer teruggegeven in het restaurant. Ik wist vanaf dat moment dat ik opgelicht was en 60.000 euro kwijt was.

Ik werd later nog gebeld door [naam 2]. Achteraf heeft hij mij al die tijd nog aan de praat gehouden en gezegd dat dit niet kan en dat hij mij het geld zou teruggeven.

Signalement [naam 1]: 1.90m, smal, lang, donkerbruin kort haar, bruin/gele blazer.

Signalement partner: 1.80m, licht gezet postuur, licht getint uiterlijk, blauwe blazer.

De zwarte tas met daarin het nepgeld overhandig ik u voor onderzoek.

Op 23 september 2014 zijn 2 bankbiljetten van 1000 Zwitserse Frank, beiden voorzien van het biljetnummer 99B5239919, onderzocht door een documentdeskundige en is geconcludeerd dat de aangeboden bankbiljetten vals zijn.

Op 17 februari 2014 heeft aangever [aangever 3], aanvullend verklaard .

De bewegende beelden van 19 september 2013 worden aan de aangever getoond.

Ik zie drie mannen op beeld. De 1e man herken ik niet.

De 2e man op het beeld met tijdstip 14:49:50 tot en met 14:49:53 (C 011-013) is de man die zich [naam 1] noemde. De 3e man vanaf het tijdstip 14:49:54 tot en met 14:50:03 (C014-020) herken ik als de compagnon van [naam 1]. Deze mannen hebben mij voor € 60.000 opgelicht.

Ik herken [naam 1] ook aan zijn bewegingen. Hij gedroeg zich opvallend door steeds achterom te kijken. Hij bekeek zijn omgeving als het ware en gedroeg zich daarbij schichtig. Ik herken [naam 1] ook aan zijn puntschoenen.

U toont mij een foto van een man (de rechtbank begrijpt: de foto op pagina C 021). Dit is de [naam 1] die ik zojuist op de beelden heb herkend.

Op 17 oktober 2013 belde hij mij met het telefoonnummer [telefoonnummer 6].

Op 18 september 2013 en 2 oktober 2013 met telefoonnummer [telefoonnummer 4].

Van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] zijn de historische verkeersgegevens gevorderd en geanalyseerd. Aangever [aangever 3] was in het bezit van een telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 8]. Dit telefoonnummer heeft op 23 oktober 2013 tussen 14:58:43 uur en 15:23:21 uur meerdere malen gebeld met het telefoonnummer van [naam 2], [telefoonnummer 6]. Dit betrof zowel in- als uitgaande gesprekken.

Het telefoonnummer van aangever [aangever 3], [telefoonnummer 8] had op 23 oktober 2013 tussen 9:05:29 uur en 14:57:10 uur ook meerdere malen telefonisch contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 9]. Dit betrof zowel in- als uitgaande gesprekken. Het telefoonnummer van de aangever peilde rond het tijdstip van het incident uit in de omgeving van de [straat 3].

Het telefoonnummer [telefoonnummer 6] heeft op 12 oktober 2013 tussen 11:21:38 en 14:41:58 meerdere malen gebeld met de telefoonnummers [telefoonnummer 4] ([naam 2]) en [telefoonnummer 5] ([naam 1]), waarbij het telefoonnummer [telefoonnummer 6] uitpeilde op de Europalaan te Amsterdam, zijnde nabij het [straat 2].

Herkenningen door de Belgische officieren van gerechtelijk politie .

Op 17 februari 2014 is aan de Belgische autoriteiten om assistentie verzocht en zijn een achttal schermafdrukken van de camerabeelden van het [hotel 2] en de foto (D 021), gemaakt met de mobiele telefoon van aangeefster [vrouw van aangever 2], van de verdachte die zich “[naam 1]” noemt, beschikbaar gesteld. Op basis van foto (bijlage D 030, schermafdruk 19 september 2013 14:49:52 uur) is verdachte [verdachte] herkend, te België opgesloten in de gevangenis [locatie] met alias [alias 2 verdachte ], geboren op [geboortedag 2] 1975.

Herkenning door hoofdagent [verbalisant 2]

Op 24 april 2014 heeft verbalisant [verbalisant 2] de verdachte [verdachte] gehoord. Bij dit verhoor is de foto, gemaakt door de aangeefster op 12 oktober 2013 in café [café 1] aan de [straat 3] te Amsterdam, aan de verdachte getoond. De verbalisant heeft vervolgens verklaard dat verdachte [verdachte], qua uiterlijk een en dezelfde persoon is en dat de uiterlijke kenmerken van de verdachte overeenkomen met de geplaatste foto, welke foto gelijkend is met de verdachte. Het betreft hier een en dezelfde persoon.

Herkenning op camerabeelden hotel [hotel 3] op 15 oktober 2013 .

Tijdens een bezoek aan België hebben collega’s beelden gezien uit een Belgisch onderzoek, opgenomen in hotel [hotel 3] op 15 oktober 2013 te Brussel. Zij zagen een persoon die zij herkenden als verdachte [verdachte]. Daarbij droeg hij kleding, gelijkend op de kleding die hij droeg in zaak 2, waarbij hij werd gefotografeerd door de aangeefster (foto D 021). Van deze camerabeelden zijn 5 stils gemaakt (bijlagen D 109-111).

Op deze beelden herken ik, verbalisant [verbalisant 3], de man als zijnde de persoon op de foto uit het Nederlandse dossier (D 021), die is geïdentificeerd als de verdachte [verdachte]. Gelet op de gelaatsvorm, de neus en oor komt dit overeen.

4.3.2.

Nadere bewijsoverwegingen

4.3.2.1. Onvolledig opsporingsonderzoek

Door de raadsman is aangevoerd, onder verwijzing naar zijn pleitnotities, dat van een tweetal rechtshulpverzoeken geen resultaat is ontvangen, terwijl het Openbaar Ministerie en de rechtbank deze rechtshulpverzoeken van belang hebben geacht voor het aan de dag brengen van de waarheid alsmede in het kader van de voorlopige hechtenis (onderzoeksgrond). Reeds op grond van het ontbreken van deze onderzoeksresultaten, dient verdachte te worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft in reactie hierop verklaard dat hij op de zittingen van 9 oktober 2014 en 5 januari 2015 heeft aangekondigd dat het verloop van de rechtshulpverzoeken vanwege de internationale aspecten niet voortvarend verliep. Een strafzaak kan echter niet oneindig lang kan worden aangehouden in afwachting hiervan, mede nu de resultaten van de rechtshulpverzoeken naar Italië en de Verenigde Staten naar verwachting niet van doorslaggevende betekenis zullen zijn in de onderhavige zaak.

De rechtbank overweegt als volgt. In de onderhavige zaak zijn door verdachte en zijn mededader(s) slachtoffers uit Duitsland, Spanje en Portugal benadeeld. Vanwege het internationale karakter van deze zaak zijn een aantal rechtshulpverzoeken gedaan naar België, Frankrijk, Italië en de Verenigde Staten. Aan de enkele omstandigheid dat de resultaten van de rechtshulpverzoeken naar Italië en de Verenigde Staten, ondanks herhaaldelijk rappelleren van het Openbaar Ministerie, niet zijn ontvangen kan niet door de raadsman gestelde conclusie worden verbonden.

4.3.2.2. Heimelijk gemaakte foto

Door de raadsman is bepleit, onder verwijzing naar zijn pleitnotities, dat de aangeefster van het onder 2 ten laste gelegde de betrokken dader heimelijk met haar mobiele telefoon heeft gefotografeerd in het café [café 1] aan de [straat 3] te Amsterdam. Het heimelijk fotograferen van iemand op een voor publiek toegankelijke plaats behelst een overtreding van artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer het volgende. Uit de verklaring van aangever [aangever 2] blijkt dat hij met zijn vrouw, aangeefster [vrouw van aangever 2], en een man genaamd [naam 1] in een café aan een tafel hebben gezeten en dat zij hebben gesproken over het verkopen van juwelen. Aangevers hebben van te voren met elkaar afgesproken dat met de telefoon van [vrouw van aangever 2] een foto van [naam 1] zou worden gemaakt, voor het geval als het fout zou gaan.

Artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt.

Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die, gebruik makende van een daartoe aangebracht technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, van een persoon, aanwezig op een voor het publiek toegankelijke plaats, wederrechtelijk een afbeelding vervaardigt.

De strekking van deze strafbaarstelling is het beschermen van de persoonlijke levenssfeer tegen inbreuken daarop als gevolg van het gebruik van verborgen camera’s. De materiële norm richt zich primair tot de eigenaar van in dit geval het café en niet tot een klant van het café die een foto maakt van een andere klant in het café.

De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer, nu, voor zover al een norm is geschonden door aangeefster, deze norm niet strekt tot bescherming van het belang waar de verdediging zich op beroept.

4.3.2.3. Herkenningen

Door de raadsman is naar voren gebracht, onder verwijzing naar zijn pleitnotities, dat de herkenningen door [aangever 3] op 17 februari 2014, de herkenning door de Belgische verbalisant [verbalisant 4] op 19 februari 2014 en die van hoofdagent [verbalisant 2] op 24 april 2014 allen zogeheten enkelvoudige herkenningen betreffen en dat de resultaten van enkelvoudige foto- of spiegelconfrontaties steeds meer door de rechter van de hand worden gewezen.

Voor de betrouwbaarheid van een herkenning is onder meer de kwaliteit van foto’s en camerabeelden en de zichtbaarheid van de dader op deze beelden van groot belang. Voorts kan van belang zijn in welke hoedanigheid de waarnemer en de dader elkaar eerder getroffen hebben, alsmede of de herkenning heeft plaatsgevonden op basis van specifieke, onderscheidende kenmerken. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 12 februari 2015 geconstateerd dat de beelden in kleur en van goede kwaliteit zijn en dat het gezicht van verdachte voldoende duidelijk te zien is.

De rechtbank stelt vast dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat verdachte niet alleen door de aangevers [aangever 1] en [aangever 3] is herkend, maar ook door twee Belgische verbalisanten, waaronder [verbalisant 4], en drie Nederlandse verbalisanten, waaronder [verbalisant 2]. Nu naar het oordeel van de rechtbank de foto’s en de camerabeelden van de persoon die als verdachte is herkend voldoende duidelijk zijn, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de door aangevers en verbalisanten gedane herkenning van verdachte, te meer nu is gesteld aan welke kenmerken verdachte wordt herkend. De rechtbank acht deze herkenningen voldoende dragend voor het bewijs en zal deze niet terzijde stellen, zoals de verdediging heeft bepleit

De rechtbank overweegt verder dat de camerabeelden van de onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld van aangever [aangever 1] van doorslaggevend belang zijn voor het bewijs in de onderhavige zaak. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 12 februari 2015 de verdachte langdurig in persoon gezien en heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting fragmenten van de camerabeelden van 19 september 2013 en 15 oktober 2013 bekeken. De rechtbank heeft ook na de zitting, na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting, gebruik gemaakt van de gelegenheid om de aan dossier toegevoegde camerabeelden te bekijken. Bij die gelegenheid in raadkamer is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat zij de verdachte op de camerabeelden van 19 september 2013 (in het bijzonder vanaf 14:49:50 en vanaf 15:23:54 in de gang naar de conferentiezaal in [hotel 2]) en 15 oktober 2013 (in het bijzonder vanaf 14:55:42 in hotel [hotel 3]) heeft herkend.

4.3.2.4. Modus Operandi

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen, waaronder de hiervoor opgesomde telefoongegevens, voldoende duidelijk is geworden dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Nu de modus operandi in deze zaken onderling vrijwel overeenstemt, kunnen de bewijsmiddelen van de afzonderlijke zaken over en weer dienen ter ondersteuning van het in de afzonderlijke zaken voorhanden zijnde bewijs.

De rechtbank overweegt voorts in dit verband dat, nu verdachte op vragen van de rechtbank of hij de persoon is op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden en foto’s, waaronder de op 12 oktober 2013 van verdachte genomen foto door de aangeefster van het onder 2 ten laste gelegde, zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, de in de bewijsmiddelen genoemde redengevende en omstandigheden tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte dit feit met anderen heeft gepleegd.

4.3.2.5. Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Door de raadsman is aangevoerd dat het vastpakken van een tas (feit 1) geen geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht kan opleveren, omdat geweld in deze context ziet op enige fysieke kracht tegen personen en niet tegen goederen.

De rechtbank verwerpt dit bewijsverweer van de raadsman nu aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij de tas strak onder zijn rechterarm vast hield en dat deze tas met grote kracht onder zijn arm werd weggetrokken. Het tegen aangever [aangever 1] gepleegde geweld hangt derhalve samen met de wegnemingshandeling. [aangever 1] is vervolgens gevallen, omdat de auto van de daders er snel vandoor ging en hij niet wilde dat zijn tas met inhoud werd gestolen. Dat de auto met hoge snelheid is weggereden is duidelijk geworden uit de camerabeelden van [hotel 4] en in zoverre wordt de verklaring van [aangever 1] dan ook ondersteund.

Verder is door de raadsman bepleit dat het tonen van een vuurwapen (feit 2) geen bedreiging met geweld kan opleveren, nu aangever [aangever 2] niet heeft gezien dat de bestuurder van de auto het vuurwapen op hem of zijn vrouw heeft gericht.

De rechtbank verwerpt ook dit bewijsverweer nu aangever [aangever 2] heeft verklaard, welke verklaring wordt ondersteund door zijn vrouw, dat op het moment dat de bestuurder van de auto een vuurwapen tevoorschijn haalde, door verdachte werd gezegd dat hij de juwelen moest geven. Deze omstandigheden, in samenhang bezien, leveren naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk een bedreiging met geweld op. Niet van doorslaggevend belang is daarbij dus of ook daadwerkelijk gericht is met vuurwapen.

4.3.2.6. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Door de raadsman is bepleit, onder verwijzing naar zijn pleitnotities, dat niet kan worden aangetoond dat de ten laste gelegde bedrieglijke middelen in de bestaande omstandigheden als oplichtingsmiddelen kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank is ten aanzien van de oplichting van oordeel dat verdachte en zijn mededader(s) door het aanwenden van de bewezen geachte oplichtingsmiddelen aangever [aangever 3] hebben bewogen tot een gedraging, te weten het afgeven van een geldbedrag. In het geval aangever [aangever 3] had geweten dat hij in ruil voor 60.000 euro een zak met vals geld zou ontvangen, dan ligt het in de rede dat aangever hieraan niet zijn medewerking had verleend.

4.3.2.7.

Voor zover de officier van justitie en de raadsman andere standpunten hebben aangevoerd, hoeven deze - gelet op het vorenstaande - niet verder te worden besproken of worden ze door de feiten en omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, weerlegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

op 19 september 2013 te Amsterdam, op het [straat 1], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met een hoeveelheid juwelen ter waarde van 260.000 euro, toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij verdachte die tas heeft vastgegrepen en met kracht heeft losgetrokken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

op 12 oktober 2013 te Amsterdam, op het [straat 2], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid sieraden, ter waarde van 29.131 euro, toebehorende aan die [aangever 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededader die [aangever 2] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond en dat hij, verdachte, tegen die [aangever 2] heeft gezegd dat hij de juwelen moest geven.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde,

op 23 oktober 2013 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 3] heeft bewogen tot de afgifte van 60.000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

  • die [aangever 3] benaderd dat zij een Russische klant hadden die wijnen wilde kopen en

  • zich voorgedaan als potentiële koper van een hoeveelheid wijn ter waarde van 200.000 euro en

  • afgesproken dat die [aangever 3] 60.000 euro aan verdachte en zijn mededaders zou overhandigen en als garantie 80.000 Zwitserse frank en 130.000 euro in retour zou ontvangen en

  • dat na de verkoop van de wijn verdachte en zijn mededaders 60.000 euro naar die [aangever 3] zou(den) overmaken en

  • dat [aangever 3] de 80.000 Zwitserse frank zou retourneren waarna verdachte en zijn mededader die [aangever 3] een zwarte zak met geld hebben getoond en

  • die [aangever 3] enkele biljetten op echtheid laten controleren en

  • die [aangever 3] in ruil voor 60.000 euro een zak met vals geld overhandigd, waardoor die [aangever 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

De slachtoffers zijn op een geraffineerde wijze door verdachte en zijn mededaders beroofd en opgelicht. Verdachte heeft een uitgebreid Europees strafblad waaruit blijkt dat hij zich al vele jaren onder diverse aliassen op internationaal vlak bezig houdt met het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft als strafmaatverweer onder meer naar voren gebracht, onder verwijzing naar zijn pleitnotities, dat de slachtoffers naïef hebben gehandeld. Zij hebben niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen die bij dit soort grote transacties verlangd mag worden. Van een geschokte rechtsorde is op grond hiervan in verminderde mate sprake. Evenmin werkt strafverzwarend dat verdachte een criminele buitenlandse carrière heeft, nu buitenlandse vonnissen voor de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht niet meetellen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich met anderen heeft schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, afpersing en oplichting door te handelen als hiervoor bewezen is verklaard. Deze delicten zijn op een geraffineerde en professionele wijze uitgevoerd en hierbij is een groot bedrag aan juwelen en contanten buitgemaakt.

Verdachte heeft bij het plegen van deze gekwalificeerde vermogensdelicten zijn eigen belang, te weten financieel gewin, vooropgesteld. Dit zijn ergerlijke feiten waarbij niet alleen aan personen en bedrijven financiële schade is toegebracht, maar waarbij ook de reputatie en eerbaarheid van anderen is geschonden.

De rechtbank heeft verder bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde delicten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en in strafverzwarende zin rekening gehouden met de professionele werkwijze en de omstandigheid dat het toepassen van geweld en/of bedreiging van geweld niet werd geschuwd op het moment dat verdachte er met zijn mededader met de buit vandoor wilden gaan.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het de rechtbank acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van 24 december 2014 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld. Blijkens een hem betreffend uittreksel van het European Criminal Records Information System (Ecris) van 18 april 2014 is verdachte wel eerder, meermalen en onherroepelijk veroordeeld, voor soortgelijke feiten in Frankrijk en Italië. De rechtbank passeert de stelling van de raadsman dat de rechtbank geen rekening mag houden met de criminele buitenlandse carrière van verdachte, aangezien bij de strafoplegging met alle relevante omstandigheden van het geval, eerdere buitenlandse veroordelingen daaronder begrepen, rekening dient te worden gehouden. Dat buitenlandse veroordelingen, meer in het bijzonder veroordelingen voor soortgelijke feiten in een andere lidstaat van de Europese Unie, bij de beoordeling dienen te worden betrokken volgt ook uit artikel 78c van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft tenslotte geconstateerd dat verdachte ter terechtzitting geen openheid van zaken heeft gegeven over de door hem gepleegde delicten, als ook geen inzicht heeft gegeven over zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat verdachte puur uit winstbejag heeft gehandeld, zonder zich rekenschap te geven van de gevolgen, en acht alles overwegende de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 47, 57, 78c, 312, 317 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Medeplegen van oplichting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en C.J. Petiet, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2015.

De voorzitter is buiten staat

mede te ondertekenen

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om geschriften, te weten kopieën van processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. P. A 001-005 Proces-verbaal van aangifte [aangever 1]. P. A 019 Proces-verbaal van bevindingen van 19 september 2013. P. A 008-015 Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 1] van 21 februari 2014. P. A 043-052 Processen-verbaal van bevindingen van 18 en 19 februari 2014. P. A 028-042 Proces-verbaal van bevindingen van 7 februari 2014. P. B 001-009 Proces-verbaal van aangifte [aangever 2], met bijlagen. P. B 070-075 Proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2014. P. B 083-089 Proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2014. P. B 091-093 Proces-verbaal van bevindingen van 17 februari 2014. P. B 010-014 Proces-verbaal van aangifte [vrouw van aangever 2]. P. B 024-032 Proces-verbaal van bevindingen van 5 november 2013. P. 001-020 Proces-verbaal van relaas van 17 april 2014 (in het bijzonder P. 006). P. C 001-004 Proces-verbaal van aangifte [aangever 3]. P. C 063 Een verslag, te weten een verklaring van valsheid van 23 september 2014, opgemaakt door documentdeskundige [persoon 2], team Identiteitsfraude van de Gemeente Amsterdam. P. C 005-033 Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 3], met bijlagen. P. C 034-040 Processen-verbaal van bevindingen van 10 en 17 februari 2014. P. D 018-026 Een geschrift, te weten een rechtshulpverzoek met nummer KLR-U-2014006961, van 17 februari 2014, opgemaakt door officier van justitie F.E.A. Duyvendak, met bijlagen. P. D 028-031 Een geschrift, te weten een proces-verbaal van de Federale Gerechtelijke Politie, Arrondissement Brussel, met nummer 007678/2014, van 24 februari 2014, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], respectievelijk gerechtelijk commissaris en rechercheur, met bijlagen. P. D 052-058 Proces-verbaal verhoor van verdachte. P. D 060-061 Proces-verbaal herkenning foto en onderzoek bedrijf. P. D 105-111 Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2014, met bijlagen.