Strafrecht overig
Veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 jaar voor 83-jarige man voor het seksueel misbruiken van 3…
Rechtbank Amsterdam, 9 november 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:8234 · Rechtbank Amsterdam · 9 november 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2017-8234
Zaakgegevens
Op 9 november 2017 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 november 2017
- Datum publicatie
- 10 november 2017
- Zaaknummer
- 13/654064-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2017:8234
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 jaar voor 83-jarige man voor het seksueel misbruiken van 3 minderjarige kleinzonen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/654064-17 (Promis)
Datum uitspraak: 9 november 2017
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortedatum 1] op [geboorteplaats] 1934,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[GBA] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 oktober 2017.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kloos en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S.J. Jansen naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partijen en hun advocaat, mr. W. van Egmond, naar voren is gebracht.
2 Tenlastelegging
Verdachte wordt er – samengevat – van beschuldigd dat hij:
-
met [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ), die toen de leeftijd van twaalf jaar nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van zijn lichaam;
-
met [slachtoffer 1] , die toen de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van zijn lichaam;
-
met [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] ), die toen de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd; en,
-
met [slachtoffer 3] (hierna ook: [slachtoffer 3] ), die toen de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd.
De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De feiten 1, 2, 3 en 4 kunnen bewezen worden verklaard, met uitzondering van de bij feit 1 onder het vierde streepje opgenomen gedraging. De feiten kunnen bewezen worden op grond van de drie aangiftes. De drie kleinzoons van verdachte hebben geloofwaardige en gedetailleerde verklaringen afgelegd over het seksueel misbruik door verdachte. Verdachte heeft dat seksueel misbruik ook voor een groot deel bekend. De gedraging die niet bewezen kan worden verklaard, is het in de anus brengen van een vinger of de penis van verdachte bij [slachtoffer 1] , terwijl hij de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt. Die gedraging heeft wel plaatsgevonden, maar pas toen [slachtoffer 1] ouder was dan twaalf jaar en kan daarom alleen bij feit 2 bewezen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft de aangiftes van zijn drie kleinzoons grotendeels bevestigd, maar heeft het plegen van een aantal ten laste gelegde ontuchtige handelingen ontkend. Van die ontuchtige handelingen dient verdachte te worden vrijgesproken. Daarvoor is immers niet aan het in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bedoelde bewijsminimum voldaan, omdat alleen de aangevers daarover hebben verklaard. Verdachte moet gelet hierop worden vrijgesproken van de meeste ten laste gelegde gedragingen gepleegd bij of met [slachtoffer 1] terwijl hij de leeftijd van twaalf jaar nog niet had bereikt, namelijk het aftrekken van hem, laten aftrekken door hem, pijpen van hem en laten pijpen door hem (feit 1 onder het tweede en derde streepje). Daarnaast heeft verdachte nooit zijn penis of vinger bij [slachtoffer 1] in zijn anus gebracht (feit 1 en feit 2 onder het vierde streepje). Ook heeft verdachte niet de hand van [slachtoffer 2] op zijn penis gelegd, zodat hij ook van die in feit 3 opgenomen gedraging moet worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
De drie aangevers, allen kleinzoon van verdachte, hebben aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte. Verdachte heeft de handelingen waarover zij hebben verklaard gedeeltelijk bekend en de rechtbank verklaart die handelingen bewezen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of ook de handelingen die verdachte heeft ontkend bewezen kunnen worden.
Daarvoor is van belang dat in artikel 342 lid 2 Sv is bepaald dat bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Met andere woorden: alleen de verklaring van één getuige is onvoldoende bewijs. Er moet meer bewijs zijn om een ten laste gelegd feit te bewijzen. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vraagt om een beoordeling van het concrete geval. De rechtbank moet dan ook beoordelen of de verklaringen van aangevers over handelingen die door verdachte zijn ontkend, door een ander zelfstandig bewijsmiddel in voldoende mate worden ondersteund.
Feit 1 en 2 (aangever [slachtoffer 1] )
In de tenlastelegging is onderscheid gemaakt tussen de periode dat [slachtoffer 1] jonger was dan twaalf jaren (feit 1) en ouder was dan twaalf, maar jonger dan zestien jaar (feit 2).
Jonger dan twaalf jaar (feit 1)
De rechtbank vindt dat er voldoende bewijs is dat verdachte [slachtoffer 1] heeft afgetrokken, ook al heeft verdachte dat ontkend. De rechtbank maakt daarvoor gebruik van de verklaringen die door de andere twee aangevers, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , zijn afgelegd. Zij zijn allebei ook kleinzoon van verdachte en hebben beiden verklaard dat zij door verdachte (meermaals) zijn afgetrokken. Verdachte heeft het aftrekken van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ook bekend. De drie aangevers hebben vergelijkbaar verklaard over de (drammerige) manier waarop verdachte daarna vervolgens steeds heeft gevraagd om ook hem af te trekken. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteunen met betrekking tot de aard van de ontuchtige handelingen en de wijze waarop verdachte zich daarbij gedroeg. Die verklaringen kunnen daarom voor het bewijs worden gebruikt. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1216).
Dit ligt anders voor het bewijs van de beschuldiging dat [slachtoffer 1] verdachte heeft afgetrokken, zich door hem heeft laten pijpen en hem heeft gepijpt. Verdachte heeft ontkend dat [slachtoffer 1] hem heeft afgetrokken. Verdacht heeft bekend dat hij [slachtoffer 1] heeft gepijpt en zich door hem heeft laten pijpen, maar heeft ontkend dat dit (ook) heeft plaatsgevonden voordat [slachtoffer 1] twaalf jaar oud was. Hoewel de rechtbank op zichzelf geen reden ziet om te twijfelen aan de verklaring die [slachtoffer 1] daarover heeft afgelegd, bieden de verklaringen van de andere aangevers daarvoor geen ondersteuning. De ontuchtige handelingen hebben zich bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] beperkt tot het aftrekken door verdachte. Er is ook geen ander bewijsmiddel dat de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteunt. Hiervoor is dus onvoldoende bewijs en dit betekent dat verdachte van die beschuldiging zal worden vrijgesproken.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat het door verdachte inbrengen van zijn penis (of vinger) in zijn anus heeft plaatsgevonden toen hij veertien of vijftien jaar oud was. De rechtbank is het daarom met de officier van justitie en de raadsman eens dat verdachte ook moet worden vrijgesproken van die gedraging, voor zover die is opgenomen in feit 1, omdat het in dat feit gaat om handelingen vóór zijn twaalfde jaar.
Nu zowel het pijpen als het in de anus brengen van de penis of vinger van verdachte niet bewezen is, zal verdachte onder feit 1 ook worden vrijgesproken van het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] .
Tussen de leeftijd van twaalf en zestien jaar (feit 2)
De rechtbank vindt dat, ook al heeft verdachte dat ontkend, ook voldoende bewijs is dat verdachte [slachtoffer 1] heeft afgetrokken toen hij tussen de twaalf en zestien jaren oud was. Dat blijkt uit de aangifte van [slachtoffer 1] , die wordt ondersteund door de aangiftes van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . De rechtbank verwijst naar wat daarover hiervoor al is overwogen.
Met betrekking tot het aftrekken van verdachte door [slachtoffer 1] merkt de rechtbank wederom op dat zij geloof hecht aan de verklaring van [slachtoffer 1] daarover, maar dat de verklaringen van de andere aangevers hiervoor geen ondersteuning bieden. Er is ook geen ander bewijsmiddel dat de verklaring van [slachtoffer 1] hierover ondersteunt. Hiervoor is dus onvoldoende bewijs en dit betekent dat verdachte van die feitelijke handeling zal worden vrijgesproken.
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zijn penis of vinger(s) in de anus van [slachtoffer 1] heeft gebracht. [slachtoffer 1] heeft hierover een gedetailleerde verklaring afgelegd, die onder meer inhoudt dat hij op zijn knieën zat, met verdachte achter hem en dat de penis van verdachte een klein beetje naar binnen ging. Toen [slachtoffer 1] tegen verdachte zei dat dit pijn deed in zijn anus, is verdachte hiermee volgens [slachtoffer 1] gestopt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat die situatie, waarbij [slachtoffer 1] op zijn knieën zat en verdachte (naakt) achter hem zat, zich wel heeft voorgedaan, maar dat van binnendringen met zijn penis of vinger(s) geen sprake was. Bij de politie heeft verdachte echter de mogelijkheid geopperd dat [slachtoffer 1] op dat moment zijn vinger of duim heeft gevoeld. De rechtbank vindt dat die verklaring voldoende steun biedt aan de verklaring van [slachtoffer 1] , zodat er voldoende bewijs is voor het feit dat sprake was van het binnendringen in de anus. Of dat met de penis of vinger(s) van verdachte was, laat de rechtbank in het midden.
Feit 3 (aangever [slachtoffer 2] )
De rechtbank is het met de raadsman eens dat niet kan worden bewezen dat verdachte de hand van [slachtoffer 2] op zijn penis heeft gelegd. Dit blijkt niet uit de aangifte van [slachtoffer 2] en evenmin uit de verdere inhoud van het dossier.
Bewijsmiddelen
De rechtbank verklaart op grond van de in bijlage II bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte de strafbare feiten in rubriek 5 opgenomen heeft begaan.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart op grond van de in bijlage II bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
op tijdstippen in de periode van 12 september 2000 tot en met 11 september 2008 in Nederland,
met de aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte telkens
- de penis van die [slachtoffer 1] betast en;
- die [slachtoffer 1] afgetrokken;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
hij op tijdstippen in de periode van 12 september 2008 tot en met 11 september 2012 in Nederland,
met de aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte telkens
- de penis van die [slachtoffer 1] betast en;
- die [slachtoffer 1] afgetrokken;
- die [slachtoffer 1] gepijpt en zich laten pijpen door die [slachtoffer 1] en;
- zijn, verdachtes penis of vinger(s) in de anus van die [slachtoffer 1] gebracht;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
hij op tijdstippen in de periode van 06 september 2005 tot en met 05 september 2009 in Nederland en in Luxemburg,
met de aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 4] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte
- de penis van die [slachtoffer 2] betast en;
- die [slachtoffer 2] afgetrokken;
ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
hij op tijdstippen in de periode van 27 juni 2007 tot en met 26 juni 2008 te Putten en een plaats in de provincie Overijssel,
met de aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 5] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte
- de penis van die Steenaart betast en;
- die Steenaart afgetrokken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6 De strafbaarheid van de feiten
Buiten echt
De rechtbank merkt op dat in de tenlastelegging van feit 1 en 2 niet staat dat de ontuchtige handelingen ‘buiten echt’ hebben plaatsgevonden. Volgens de wet is het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren (artikel 247 Wetboek van Strafrecht (Sr)) alleen strafbaar als dit buiten echt heeft plaatsgevonden. Datzelfde geldt voor het plegen van ontuchtige handelingen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen, met iemand tussen de twaalf en zestien jaren (artikel 245 Sr). Strikt genomen zou, doordat de woorden ‘buiten echt’ niet door de officier van justitie in de tenlastelegging zijn opgenomen, met betrekking tot de feiten 1 en 2 (die allebei betrekking hebben op [slachtoffer 1] ) geen sprake zijn van strafbare feiten. Dat zou een absurde uitkomst van de strafprocedure zijn.
Gelet op de leeftijd van [slachtoffer 1] op het moment van de ontuchtige handelingen (die wel is vermeld in de tenlastelegging) en het feit dat verdachte zijn grootvader is, is duidelijk dat geen sprake was van een huwelijk tussen [slachtoffer 1] en verdachte. De rechtbank vindt dat er daarom ruimte is voor een verbeterde lezing van de tenlastelegging en heeft de zinsnede ‘buiten echt’ ingelezen. De feiten zijn als zodanig bewezenverklaard en gekwalificeerd.
Strafverzwarende omstandigheid
In artikel 248 lid 2 Sr is bepaald dat de maximale gevangenisstraf die in een aantal wetsartikelen over seksueel misbruik is opgenomen, met een derde kan worden verhoogd indien het is begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Dit artikel geldt vanaf 1 januari 2010 en is niet van toepassing op feiten die voor die tijd hebben plaatsgevonden. Hoewel de rechtbank, zoals hiervoor in rubriek 5 weergegeven, wel bewezen acht dat de drie kleinzoons van verdachte op het moment van de ontuchtige handelingen aan zijn zorg en waakzaamheid waren toevertrouwd, is dit daarom bij feit 1, 3 en 4 geen strafverzwarende omstandigheid. Bij de vraag welke strafbare feiten de bewezenverklaring oplevert, zoals opgenomen in rubriek 12, wordt dit onderdeel daarom bij die feiten niet opgenomen. Dat de kleinzoons op het moment van de ontuchtige handelingen aan de zorg en waakzaamheid van verdachte waren toevertrouwd, vindt de rechtbank overigens wel van belang en dat zal zij ook (binnen de reikwijdte van de maximale gevangenisstraf) meewegen in de bepaling van de straf voor verdachte.
De bewezen geachte feiten zijn, met inachtneming van het bovenstaande, volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Daarbij dienen als bijzondere voorwaarden de voorwaarden te worden opgelegd zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de hoge leeftijd van verdachte en het feit dat hij zijn sociale contacten grotendeels is verloren. Er moet aansluiting worden gezocht bij de adviezen van de reclassering en van de psycholoog, in die zin dat aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel moet worden opgelegd, waaraan onder meer een behandeling bij De Waag moet worden gekoppeld.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn drie kleinzoons. Die kleinzoons, en vooral [slachtoffer 1] , waren op dat moment erg jong. Zij waren daardoor niet goed in staat om te begrijpen wat verdachte met hen deed.
De ontuchtige handelingen vonden onder meer plaats op door verdachte voorgestelde kampeeruitjes, waarbij hij er met één van zijn kleinzoons op uit trok. De dochters van verdachte en hun partners vertrouwden de zorg voor hun zoons zonder meer aan verdachte toe. Van dat vertrouwen heeft verdachte op grove wijze misbruik gemaakt. De kleinzoons van verdachte hebben verklaard dat zij genoten van die leuke vakanties met hun opa, waarbij leuke activiteiten werden ondernomen en zij veel aandacht kregen. Uit het dossier blijkt echter ook van een hele grimmige kant van die vakanties. ’s Avonds in de tent vonden ontuchtige handelingen plaats, die varieerden van aftrekken, pijpen en het (eenmaal) binnendringen in de anus bij één van de kleinzoons. Verdachte probeerde zijn kleinzoons op drammerige wijze over te halen ook hem af trekken. Hij speelde in op het schuldgevoel van zijn kleinzoons, onder meer door hen te vertellen dat hij al jaren geen seks meer met zijn vrouw had. Bovendien vertelde hij zijn kleinzoons dat dit ‘hun geheimpje’ was. Dit samenspel van feiten moet voor de kleinzoons van verdachte, ook gelet op hun jonge leeftijd, zeer verwarrend zijn geweest. De rechtbank vindt dit alles uiterst verwerpelijk.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de schriftelijke verklaringen van de moeders van de slachtoffers. Ter terechtzitting hebben [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] een slachtofferverklaring voorgelezen of laten voorlezen. Zij hebben jarenlang met dit geheim rondgelopen en dit uit schaamte en loyaliteitsgevoel niet durven delen met iemand. Zij hebben hierover pas begin 2017 voor het eerst gesproken en ontdekt dat de anderen iets vergelijkbaars is overkomen. Uit alle verklaringen blijkt dat het uitkomen van dit geheim voor de hele familie een enorme klap is geweest en dat de impact op het dagelijks leven van de slachtoffers groot is. De slachtoffers hebben onder meer verklaard over de nachtmerries die zij over hun opa hebben en de beelden van het misbruik die soms opdoemen. Ook hebben zij verteld over de psychische klachten die zij als gevolg van het misbruik hebben en de problemen die zij ondervinden bij het aangaan en onderhouden van (seksuele) relaties.
De rechtbank vindt dat op zulk ernstig en langdurig seksueel misbruik alleen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gereageerd kan worden.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met zijn blanco strafblad en een tweetal, hierna te bespreken, over hem opgemaakte rapporten.
In opdracht van de officier van justitie heeft gezondheidspsycholoog P.C. Dalebout een psychologisch onderzoek verricht naar verdachte. De conclusie van dat onderzoek is dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een pedofiele stoornis, niet-exclusieve type, seksueel aangetrokken tot jongens, beperkt tot incest. Ook is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met gemengde persoonlijkheidstrekken. Dit heeft invloed gehad op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Verdachte identificeert zich volgens de psycholoog vanuit zijn onrijpe ontwikkeling en identiteitszwakte gemakkelijk met kinderen en kan hen ook gebruiken voor het bevredigen van zijn eigen, onbevredigde seksuele behoeften. Hij heeft daartoe situaties gemanipuleerd en gecreëerd die seksueel contact met zijn minderjarige slachtoffers mogelijk hebben gemaakt en heeft daarbij misbruik gemaakt van het overwicht dat hij mede vanwege zijn leeftijd had. Hij is in die situaties onvoldoende geremd door zijn gebrekkig functionerende geweten. Verdachte mist in belangrijke mate ziekte-inzicht en heeft de neiging de ernst van de feiten te bagatelliseren. Gelet op de stoornissen die zijn vastgesteld, adviseert de psycholoog verdachte het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt, aan de hand van een risico-inschatting (onder meer gebaseerd op de inmiddels gevorderde leeftijd van verdachte), ingeschat als laag.
Ook in het reclasseringsrapport staat dat verdachte spreekt over de verdenking op een manier die getuigt van weinig probleembesef en inlevingsvermogen in de gevoelens van zijn slachtoffers. De reclassering concludeert ook dat het recidiverisico laag is.
De rechtbank sluit zich bij die conclusies aan. Ook ter terechtzitting heeft verdachte enerzijds gezegd dat hij veel spijt heeft en de gevolgen voor zijn kleinzoons verschrikkelijk vindt, maar anderzijds herhaald dat zijn kleinzoons het fijn vonden en hij ze nooit ergens toe heeft gedwongen. Verdachte blijft hiermee, mogelijk als gevolg van de bij hem vastgestelde stoornissen, voorbij gaan aan het onacceptabele karakter van zijn gedragingen en de machtspositie die hij ten opzichte van zijn kleinkinderen had.
Zowel de psycholoog als de reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij onder meer (voortzetting van de) behandeling bij De Waag en reclasseringstoezicht als voorwaarden worden opgelegd.
Alles afwegende vindt de rechtbank dat een gevangenisstraf van 3 jaar passend is.
De rechtbank ziet daarbij, anders dan de reclassering en de psycholoog, geen aanleiding om een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dat heeft met name te maken met het feit dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat, zodat een aan de voorwaardelijke straf te verbinden voorwaarde om de recidive te verminderen weinig meerwaarde heeft. De rechtbank merkt hierbij op dat hulpverlening ook in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden opgestart.
De gevangenisstraf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de detentie op verdachte – gelet op zijn 83-jarige leeftijd – een zware wissel zal trekken.
9 Voorlopige hechtenis
De officier van justitie heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, zodat verdachte per datum van dit vonnis in het kader van de voorlopige hechtenis weer vast zou komen te zitten. Volgens de officier van justitie is sprake van een twaalfjaarsfeit waardoor de rechtsorde is geschokt.
De rechtbank wijst die vordering af. Op het moment dat de voorlopige hechtenis is bevolen, werd verdachte (onder meer) verdacht van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, te weten het derde en vierde gedachtestreepje bij feit 1. Voor dat feit is verdachte echter niet veroordeeld, zodat geen sprake meer is van gronden zoals bedoeld in artikel 67a Sv. Dat betekent dat de rechtbank het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis zal opheffen.
10 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 21.684,38 aan materiële schadevergoeding en € 22.000 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. De vordering voor de materiële schade bestaat uit de volgende posten: (1) geschat eigen risico zorgverzekering 2018 en 2019 € 770,00, (2) eigen risico 2017 € 113,67, (3) 1 jaar studievertraging HBO € 20.200,00, (4) gemiste uren bijbaan € 468,79, (5) kilometervergoeding € 101,92 en (6) eventuele reiskosten voor hoger beroep € 30,00.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft de vordering betwist, in die zin dat de onder (3) genoemde post onvoldoende onderbouwd en te toekomstig is. Het staat volgens de raadsman niet vast dat de studievertraging van [slachtoffer 1] tot schade waardeerbaar op € 20.200,00 zal leiden. Het gevorderde bedrag voor immateriële schadevergoeding is daarnaast te hoog. Vergelijkbare zaken bezien, zou een bedrag van rond de € 6.000,00 kunnen worden toegewezen.
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is voldoende onderbouwd. Dat geldt, anders dan door de raadsman betoogd, ook voor de onder (3) genoemde post. Uit de bij de vordering gevoegde stukken blijkt dat [slachtoffer 1] zich, vlak nadat hij aangifte tegen verdachte heeft gedaan, heeft uitgeschreven van zijn HBO-studie, waardoor hij studievertraging zal oplopen. De schadevergoeding die [slachtoffer 1] daarvoor vordert is gebaseerd op de Richtlijn Studievertraging van de Letselschade Raad, die ook als bijlage bij de stukken is gevoegd. De rechtbank acht de vordering gelet hierop voldoende onderbouwd en concreet.
De rechtbank wijst de vordering voor de materiële schadevergoeding toe, met uitzondering van de onder (6) genoemde eventuele reiskosten van € 30,00 voor hoger beroep. Of van de onderhavige strafzaak hoger beroep wordt ingesteld, is te onzeker om daarvoor bij voorbaat de schade te begroten. Voor dat gedeelte van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verdachte heeft [slachtoffer 1] op ernstige wijze in de persoon aangetast als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege een aantasting in de persoon is in beginsel vereist dat kan worden aangetoond dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt in verband met de bijzondere ernst van de normschending. Volgens de rechtbank is in deze zaak sprake van zo’n uitzondering, omdat verdachte een grote inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . De rechtbank zal daarom ook een immateriële schadevergoeding toewijzen. De rechtbank stelt de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 17.500,00. Dat bedrag is lager dan is toegewezen in de zaken die ter vergelijking door de benadeelde partij zijn overhandigd, omdat in dit geval (nog) geen sprake is van objectief vast te stellen geestelijk letsel. [slachtoffer 1] wordt in de rest van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Samengevat wijst de rechtbank de vordering tot een totaalbedrag van € 39.154,38 toe. Dit bedrag wordt - gelet op het feit dat het moment van ontstaan van de schade per post verschillend is - vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de datum van dit vonnis.
Ook wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Voor zover de vordering niet-ontvankelijk is, kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 1.932,45 aan materiële schadevergoeding en € 12.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. De vordering voor de materiële schade bestaat uit de volgende posten: (1) geschat eigen risico zorgverzekering 2018 en 2019 € 770,00, (2) gemiste dagen werk salaris € 714,27, (3) geschatte te missen dagen nabije toekomst € 368,92, (4) kilometervergoeding € 39,26 en (5) eventuele reiskosten voor hoger beroep € 40,00.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft de vordering betwist, in die zin dat de post onder (5) moet worden afgewezen. Het gevorderde bedrag voor immateriële schadevergoeding is daarnaast te hoog. Vergelijkbare zaken bezien, zou een bedrag van rond de € 1.500,00 kunnen worden toegewezen.
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is voldoende onderbouwd.
De rechtbank wijst de vordering voor de materiële schadevergoeding toe, met uitzondering van de onder (5) genoemde eventuele reiskosten van € 40,00 voor hoger beroep. De rechtbank is het met de raadsman eens dat het te onzeker is of van de onderhavige strafzaak hoger beroep wordt ingesteld, om daarvoor bij voorbaat de schade te begroten. Voor dat gedeelte van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verdachte heeft [slachtoffer 2] op ernstige wijze in de persoon aangetast als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW. Voor toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege een aantasting in de persoon is in beginsel vereist dat kan worden aangetoond dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt in verband met de bijzondere ernst van de normschending. Volgens de rechtbank is ook ten aanzien van [slachtoffer 2] sprake van zo’n uitzondering, omdat verdachte een grote inbreuk heeft gemaakt op zijn lichamelijke integriteit van. De rechtbank zal daarom ook een immateriële schadevergoeding toewijzen. De rechtbank stelt de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 10.000,00. Dat bedrag is lager dan is toegewezen in de zaken die ter vergelijking door de benadeelde partij zijn overhandigd, omdat in dit geval (nog) geen sprake is van objectief vast te stellen geestelijk letsel. [slachtoffer 2] wordt in de rest van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Samengevat wijst de rechtbank de vordering tot een totaalbedrag van € 11.892,45 toe. Dit bedrag wordt - gelet op het feit dat het moment van ontstaan van de schade per post verschillend is - vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de datum van dit vonnis.
Ook wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Voor zover de vordering niet-ontvankelijk is, kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [slachtoffer 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 1.906,36 aan materiële schadevergoeding en € 4.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. De vordering voor de materiële schade bestaat uit de volgende posten: (1) geschat eigen risico zorgverzekering 2018 en 2019 € 770,00, (2) eigen risico 2017 € 385,00, (3) gemiste loonsverhoging door studievertraging € 675,00, (4) reiskosten € 36,36 en (5) eventuele reiskosten voor hoger beroep € 40,00.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft de vordering betwist, in die zin dat de post onder (5) moet worden afgewezen. Het gevorderde bedrag voor immateriële schadevergoeding is daarnaast te hoog. Vergelijkbare zaken bezien, zou een bedrag van rond de € 1.000,00 kunnen worden toegewezen.
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is voldoende onderbouwd.
De rechtbank wijst de vordering voor de materiële schadevergoeding toe, met uitzondering van de onder (5) genoemde eventuele reiskosten van € 40,00 voor hoger beroep. De rechtbank is het met de raadsman eens dat het te onzeker is of van de onderhavige strafzaak hoger beroep wordt ingesteld, om daarvoor bij voorbaat de schade te begroten. Voor dat gedeelte van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verdachte heeft [slachtoffer 3] op ernstige wijze in de persoon aangetast als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW. Voor toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege een aantasting in de persoon is in beginsel vereist dat kan worden aangetoond dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt in verband met de bijzondere ernst van de normschending. Volgens de rechtbank is ook ten aanzien van [slachtoffer 3] sprake van zo’n uitzondering, omdat verdachte een grote inbreuk heeft gemaakt op zijn lichamelijke integriteit van. De rechtbank zal daarom ook een immateriële schadevergoeding toewijzen. De rechtbank stelt de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 3.000,00. Dat bedrag is lager dan is toegewezen in de zaken die ter vergelijking door de benadeelde partij zijn overhandigd, omdat in dit geval (nog) geen sprake is van objectief vast te stellen geestelijk letsel. [slachtoffer 3] wordt in de rest van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Samengevat wijst de rechtbank de vordering tot een totaalbedrag van € 4.866,36 toe. Dit bedrag wordt - gelet op het feit dat het moment van ontstaan van de schade per post verschillend is - vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de datum van dit vonnis.
Ook wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Voor zover de vordering niet-ontvankelijk is, kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [slachtoffer 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Vervangende hechtenis schadevergoedingsmaatregel
Het totaal van het aantal dagen vervangende hechtenis, die wordt vastgesteld voor het geval dat verdachte niet tot betaling overgaat, mag volgens artikel 24c en 60a Sr niet hoger zijn dan 365 dagen. Als de rechtbank het aantal dagen vervangende hechtenis vaststelt aan de hand van de tabel die daarvoor normaal gesproken wordt gebruikt, wordt het maximum aantal dagen met (bijna) drie weken overschreden. De rechtbank heeft de vervangende hechtenis daarom ten aanzien van de drie vorderingen gebaseerd op die tabel, maar steeds verminderd met zeven dagen.
11 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57, 60a, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
12 Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;
ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (voor zover het feit is begaan vóór 1 januari 2010),
en
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd (voor zover het feit is begaan vanaf 1 januari 2010),
ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd,
ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot € 39.154,38 (negenendertigduizend honderdvierenvijftig euro en achtendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Verklaart [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door [slachtoffer 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 39.154,38 (negenendertigduizend honderdvierenvijftig euro en achtendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 226 (tweehonderdzesentwintig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot € 11.892,45 (elfduizend achthonderdtweeënnegentig euro en vijfenveertig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Verklaart [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 11.892,45 (elfduizend achthonderdtweeënnegentig euro en vijfenveertig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 87 (zevenentachtig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot € 4.866,36 (vierduizend achthonderdzesenzestig euro zesendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Verklaart [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door [slachtoffer 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 4.866,36 (vierduizend achthonderdzesenzestig euro zesendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 51 (eenenvijftig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en R.W.L. Koopmans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 november 2017.
[bijlage]
-
[bijlage]
-
[bijlage]
-
[bijlage]
-
[bijlage]