Strafrecht overig
Pools EAB om de opgeëiste persoon te vervolgen. Geen sprake van zodanig uitzonderlijke persoonlijke…
Rechtbank Amsterdam, 13 februari 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:1053 · Rechtbank Amsterdam · 13 februari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/rekestprocedure/ecli-nl-rbams-2015-1053
Zaakgegevens
Op 13 februari 2015 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 februari 2015
- Datum publicatie
- 27 februari 2015
- Zaaknummer
- 13/751886-14
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2015:1053
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Pools EAB om de opgeëiste persoon te vervolgen. Geen sprake van zodanig uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden dat de verzochte overlevering onevenredig bezwarend moet worden geacht.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751886-14
RK nummer: 14/8027
Datum uitspraak: 13 februari 2015
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 december 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 augustus 2014 door de Judge van de Elblag Regional Court en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [adres 1, te plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1 Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Vorrink.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door haar raadsman, mr. M.F.M. Geeratz, advocaat te Venlo en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een Judgment from the District Court of Elblag (Polen) van 31 mei 2010, met referentienummer II K 743/10.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 8 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis.
Uit het dossier en de terechtzitting blijkt dat de opgeëiste persoon op 10 mei 2010 in persoon is gedagvaard. Ondubbelzinnig is vast komen te staan dat zij op de hoogte was van de terechtzitting en ervan in kennis was gesteld dat een vonnis kon worden gewezen wanneer zij niet ter terechtzitting zou verschijnen. Bovendien heeft zij op 7 juni 2010 het vonnis ontvangen waarbij zij is geïnformeerd over de bijbehorende rechten die haar toekomen. De opgeëiste persoon heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
De rechtbank concludeert dan ook dat de in artikel 12 OLW neergelegde weigeringsgrond toepassing mist.
4 Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 20, te weten:
oplichting
Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5 Overige verweren
De raadsman heeft gewezen naar de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon die in zijn visie aan overlevering in de weg staan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon. Deze belangen zijn vooral gelegen in de zorg die zij alhier draagt voor haar zus, die na een knie-operatie en een hartinfarct medische en financiële ondersteuning nodig heeft. Bovendien maakt de opgeëiste persoon zich zorgen om beperking van de behandelmogelijkheden voor haar zus in Polen.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de voornoemde persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon niet tot weigering kunnen leiden.
De rechtbank overweegt als volgt.
In beginsel kunnen de persoonlijke omstandigheden van een opgeëiste persoon, die zich niet kan beroepen op de bescherming van artikel 6, vijfde lid OLW in verbinding met artikel 6, tweede lid OLW, geen weigeringsgrond opleveren. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, kan overlevering slechts in een uitzonderlijk geval en gelet op bijzondere omstandigheden onevenredig bezwarend worden geacht (ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203). Van een dergelijk uitzonderlijk geval en dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn niet van dien aard dat de verzochte overlevering geweigerd moet worden.
6 Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
7 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 326 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 van de OLW.
8 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan District Court of Elblag (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor haar overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en I.V. Ottens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 13 februari 2015.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
[A/B/C]